WSET 2
Deel 1: Wijn en de consument
Hoofdstuk 1: Wijn proeven en beoordelen
UITERLIJK
Intensiteit: Deze verwijst naar de hoeveelheid kleur van de wijn.
De intensiteit kun je beoordelen door het glas in een hoek van 45 graden te houden en van
bovenaf door de wijn te kijken. Je kijkt in hoeverre de kleur doorloopt tot aan de rand.
Bij rode wijnen kun je de intensiteit ook beoordelen door recht van boven in het glas te kijken en
te beoordelen in hoeverre je de steel van het glas kan zien.
Kleur:
Witte wijnen kleuren van citroengeel, goudgeel naar ambergeel. De meeste witte wijnen zijn
citroengeel.
Rode wijnen kleuren van paars, robijnrood, granaatrood naar bruinrood. De meeste rode wijnen
zijn robijnrood.
Rosé kleurt van roze, oranjeroze naar oranje. Oranje komt zelden voor.
Geur:
Een groot deel van het verschil in kwaliteit wordt bepaald door het verschil in karakter en zuiverheid
van aroma’s. Door de wijn te walsen komen aroma’s los. Het kan helpen om voor het walsen om de
delicate aroma’s te ruiken.
Aroma-intensiteit:
De intensiteit is te beoordelen op licht, gemiddeld en sterk. Aroma’s die je direct ruikt zijn ‘sterk’,
aroma’s die je na het walsen nog steeds moeilijk te ontdekken zijn noem je ‘licht’. Alles daartussen is
gemiddeld.
Aromakenmerken:
Er zijn drie hoofdaroma’s: primair, secundair en tertiair. Niet elke wijn heeft primaire, secundaire én
tertiaire aroma’s.
Primair: Aroma’s afkomstig uit de druiven of door vergistingsproces. Eenvoudige wijnen hebben
een beperkt aantal, complexere wijnen meer. De meeste wijnen hebben fruitige aroma’s, maar
kunnen ook aroma’s hebben als ‘bloemig’, ‘groen/plantaardig’ of uit andere groepen.
Secundair: Aroma’s ontstaan door het wijnmaakproces na de vergisting, bijvoorbeeld door
eikenhout (vanille, rook). Ook aroma’s door malolactische omzet (room, boter) of door rijpen op gist
(gebak, brood).
Tertiair: Aroma’s door rijpingsproces. Dit proces gebeurt door het rijpen op houten vaten
(oxidatief) of door rijping op de fles (zonder zuurstof). Bij oxidatief krijgt de wijn aroma’s van koffie
en karamel. Op de fles aroma’s van benzine, honing of paddenstoel. Rijping veranderd de primaire
aroma’s.
MOND
Zoetheid:
De smaak van de hoeveelheid suikers in de wijn. Het is de beoordelen op droog, iets zoet, half zoet
en zoet.
Droog: Geen tot weinig suiker; de tong neemt het niet waar
Iets zoet: De wijn heeft een klein beetje waarneembare suiker
Halfzoet: Suiker is duidelijk aanwezig, maar niet zoet genoeg voor desserts
Zoet: Suiker is het belangrijkste kenmerk. Dit is een brede categorie en omvat klassieke zoete
wijnen
1
Deel 1: Wijn en de consument
Hoofdstuk 1: Wijn proeven en beoordelen
UITERLIJK
Intensiteit: Deze verwijst naar de hoeveelheid kleur van de wijn.
De intensiteit kun je beoordelen door het glas in een hoek van 45 graden te houden en van
bovenaf door de wijn te kijken. Je kijkt in hoeverre de kleur doorloopt tot aan de rand.
Bij rode wijnen kun je de intensiteit ook beoordelen door recht van boven in het glas te kijken en
te beoordelen in hoeverre je de steel van het glas kan zien.
Kleur:
Witte wijnen kleuren van citroengeel, goudgeel naar ambergeel. De meeste witte wijnen zijn
citroengeel.
Rode wijnen kleuren van paars, robijnrood, granaatrood naar bruinrood. De meeste rode wijnen
zijn robijnrood.
Rosé kleurt van roze, oranjeroze naar oranje. Oranje komt zelden voor.
Geur:
Een groot deel van het verschil in kwaliteit wordt bepaald door het verschil in karakter en zuiverheid
van aroma’s. Door de wijn te walsen komen aroma’s los. Het kan helpen om voor het walsen om de
delicate aroma’s te ruiken.
Aroma-intensiteit:
De intensiteit is te beoordelen op licht, gemiddeld en sterk. Aroma’s die je direct ruikt zijn ‘sterk’,
aroma’s die je na het walsen nog steeds moeilijk te ontdekken zijn noem je ‘licht’. Alles daartussen is
gemiddeld.
Aromakenmerken:
Er zijn drie hoofdaroma’s: primair, secundair en tertiair. Niet elke wijn heeft primaire, secundaire én
tertiaire aroma’s.
Primair: Aroma’s afkomstig uit de druiven of door vergistingsproces. Eenvoudige wijnen hebben
een beperkt aantal, complexere wijnen meer. De meeste wijnen hebben fruitige aroma’s, maar
kunnen ook aroma’s hebben als ‘bloemig’, ‘groen/plantaardig’ of uit andere groepen.
Secundair: Aroma’s ontstaan door het wijnmaakproces na de vergisting, bijvoorbeeld door
eikenhout (vanille, rook). Ook aroma’s door malolactische omzet (room, boter) of door rijpen op gist
(gebak, brood).
Tertiair: Aroma’s door rijpingsproces. Dit proces gebeurt door het rijpen op houten vaten
(oxidatief) of door rijping op de fles (zonder zuurstof). Bij oxidatief krijgt de wijn aroma’s van koffie
en karamel. Op de fles aroma’s van benzine, honing of paddenstoel. Rijping veranderd de primaire
aroma’s.
MOND
Zoetheid:
De smaak van de hoeveelheid suikers in de wijn. Het is de beoordelen op droog, iets zoet, half zoet
en zoet.
Droog: Geen tot weinig suiker; de tong neemt het niet waar
Iets zoet: De wijn heeft een klein beetje waarneembare suiker
Halfzoet: Suiker is duidelijk aanwezig, maar niet zoet genoeg voor desserts
Zoet: Suiker is het belangrijkste kenmerk. Dit is een brede categorie en omvat klassieke zoete
wijnen
1