Geschreven door studenten die geslaagd zijn Direct beschikbaar na je betaling Online lezen of als PDF Verkeerd document? Gratis ruilen 4,6 TrustPilot
logo-home
Samenvatting

Samenvatting Recht hoofdstuk 1 tot en met 7 en 10

Beoordeling
-
Verkocht
1
Pagina's
45
Geüpload op
18-01-2017
Geschreven in
2016/2017

46 bladzijdes, inclusief de begrippen!

Instelling
Vak

Voorbeeld van de inhoud

RECHT
Samenvattingen

,Inhoudsopgave
Hoofdstuk 1 recht en regels. ...................................................................................................... 4
Paragraaf 1.1 waarom is er recht? ......................................................................................... 4
Paragraaf 1.3 aard van regels. ................................................................................................ 5
Paragraaf 1.4 grondrechten. .................................................................................................. 5
Paragraaf 1.5 recht en de praktijk van het zorg- en welzijnswerk. ........................................ 5
Begrippenlijst hoofdstuk 1. .................................................................................................... 6
Hoofdstuk 2 inleiding van het recht. .......................................................................................... 6
Paragraaf 2.1 publiekrecht en privaatrecht. .......................................................................... 6
Paragraaf 2.2 materieel recht en formeel recht. ................................................................... 7
Paragraaf 2.3 beginselen van het procesrecht....................................................................... 7
Aanpassingen voor paragraaf 2.3....................................................................................... 7
Paragraaf 2.4 korte schets van het procesrecht. ................................................................... 7
Paragraaf 2.5 rechtshulp en rechtsbijstand. .......................................................................... 8
Begrippenlijst hoofdstuk 2. .................................................................................................... 9
Hoofdstuk 3 verbintenissen. .................................................................................................... 10
Paragraaf 3.1 ontstaan van een verbintenis. ....................................................................... 10
Paragraaf 3.2 overeenkomst. ............................................................................................... 10
Paragraaf 3.3 niet-nakoming van de overeenkomst. ........................................................... 11
Paragraaf 3.4 onrechtmatige daad....................................................................................... 11
Begrippenlijst hoofdstuk 3. .................................................................................................. 12
Hoofdstuk 4 kopen. .................................................................................................................. 13
Paragraaf 4.1 koopovereenkomst. ....................................................................................... 13
Paragraaf 4.2 partijen bij een koopovereenkomst. ............................................................. 13
Paragraaf 4.3 verplichtingen van de verkoper. .................................................................... 14
Paragraaf 4.4 verplichtingen van de koper. ......................................................................... 14
Paragraaf 4.5 nakoming van de koopovereenkomst. .......................................................... 15
Begrippenlijst hoofdstuk 4. .................................................................................................. 16
Hoofdstuk 5 huren.................................................................................................................... 16
Paragraaf 5.1 huurovereenkomst. ....................................................................................... 16
Paragraaf 5.2 partijen en hun verplichtingen. ..................................................................... 16
Paragraaf 5.3 nakoming van de huurovereenkomst. ........................................................... 17
Paragraaf 5.4 huur van woonruimte. ................................................................................... 17


2

, Paragraaf 5.5 onderhoud en veranderingen aan de woning. .............................................. 18
Paragraaf 5.6 einde van de huur van een woonruimte. ...................................................... 19
Paragraaf 5.7 overlast en woningontruiming. ..................................................................... 21
Begrippenlijst hoofdstuk 5. .................................................................................................. 21
Hoofdstuk 6 schulden. .............................................................................................................. 22
Paragraaf 6.1 als schulden een probleem worden. ............................................................. 22
Paragraaf 6.2 positie van de schuldeiser: incasso en beslaglegging. ................................... 23
Paragraaf 6.3 schuldhulpverlening....................................................................................... 24
Paragraaf 6.4 wet schuldsanering natuurlijke personen. .................................................... 25
Begrippenlijst hoofdstuk 6. .................................................................................................. 27
Hoofdstuk 7 samenlevingsvormen en scheiding. .................................................................... 28
Paragraaf 7.1 personen- en familierecht algemeen. ........................................................... 28
Paragraaf 7.2 algemene begrippen. ..................................................................................... 28
Paragraaf 7.3 samenlevingsvormen. .................................................................................... 29
Paragraaf 7.4 scheiding. ....................................................................................................... 30
Paragraaf 7.5 alimentatie. .................................................................................................... 32
Paragraaf 7.6 kinderen en scheiding. ................................................................................... 33
Paragraaf 7.7 scheidings- en omgangsbemiddeling............................................................. 33
Begrippenlijst hoofdstuk 7. .................................................................................................. 34
Hoofdstuk 10 gezondheid. ....................................................................................................... 35
Paragraaf 10.1 uitgangspunten in het gezondheidsrecht. ................................................... 35
Paragraaf 10.2 patiëntrechten in de WGBO. ....................................................................... 37
Paragraaf 10.3 vertegenwoordiging..................................................................................... 38
Paragraaf 10.4 gedwongen opname in de wet BOPZ. ......................................................... 39
Paragraaf 10.5 rechtsbescherming voor de patiënt. ........................................................... 42
Begrippenlijst hoofdstuk 10. ................................................................................................ 44




3

,Hoofdstuk 1 recht en regels.
Paragraaf 1.1 waarom is er recht?
- Rechten en plichten van individuen en van de overheid, die voortkomen uit normen en
waarden die algemeen gelden in de maatschappij.
- Rechtsregels  de wijze waarom regels gehandhaafd kunnen worden.
o Recht brengt een doelmatige ordening aan in de samenleving.
o Recht geeft spelregels voor gedragingen tussen individuen onderling en voor het
handelen door de overheid.
o Recht stuurt het individuele gedrag van burgers.
o Recht is gericht op rechtvaardigheid, maar ze zijn geen synoniemen van elkaar.
Paragraaf 1.2 vindplaatsen van het recht.
Vier rechtsbronnen.
1. Rechtsbron: wet- en regelgeving.
- Wetten bevatten rechtsregels die zijn vastgesteld door de overheid.
o Alleen wetten die afkomstig zijn van de hoogste wetgever worden met wet
aangeduid. Bepalingen in wetten worden wetsartikelen genoemd.
- Lagere regelgeving worden niet wetten genoemd, maar een Koninklijk Besluit.
- Koninklijk Besluit (KB)  regelingen die afkomstig is van de regering, dus zonder de Staten-
Generaal.
- Algemene maatregel van bestuur (AMvB)  een KB dat regels bevat.
- Ministeriële regeling  regeling afkomstig van een minister.
- Verordening  een regeling van de Provinciale Staten of de gemeenteraad.
- Gemeenschapsverordeningen en -richtlijnen  organen die verordeningen en richtlijnen
stellen die gelden in de gehele Europese Unie.
2. Rechtsbron: jurisprudentie.
- Uitspraken van rechters.
o Ontstaan doordat algemene regels in de diverse wetten en in de overige regelgeving
moeten worden toegepast in individuele situaties, die vaak verschillend zijn.
o Vonnis, uitspraak of arrest  afhankelijk van de soort zaak of het niveau waarop er
recht wordt gesproken. De rechtsregels interpreteren en de uitkomst ervan te
formuleren in een uitspraak.
- Jurisprudentie recht is ook wel rechtersrecht.
- Jurisprudentie is ongeschreven recht.
3. Rechtsbron: gewoonte.
- De regels van gewoonterecht zijn niet ergens opgetekend, maar ontstaan in de loop van de
tijd door het gebruik ervan in algemene kring.
- Ongeschreven recht.
4. Rechtsbron: verdrag.
- Recht dat in verdragen is vastgesteld.
o Verdragen  afspraken tussen twee of meer staten die op schrift zijn vastgesteld en
die gelden in de staten die partij zijn bij het verdrag.
o De staten die partij zijn bij het gedrag moeten dit verdrag geratificeerd hebben: zich
ermee akkoord hebben verklaard.
- Veel bepalingen in verdragen hebben directe werking  iedereen kan zich daar direct op
beroepen, ook als deze niet zijn opgenomen in wetten of lagere regelgeving.



4

,Paragraaf 1.3 aard van regels.
Dwingend en aanvullend recht.
- Dwingend recht  regels waar niet vanaf geweken mag worden.
o Sommige rechtsregels leggen aan individuen of partijen die een juridische relatie
ofwel rechtsbetrekking met elkaar hebben, dwingend bepaalde rechten of plichten
op.
- Semidwingend recht  half dwingend.
o Geven partijen de mogelijkheid om zelf dingen nader te regelen.
- Aanvullend recht  regels die alleen gelden als specifieke afspraken ontbreken.
- Semidwingend en aanvullend recht komen vooral voor bij rechtsregels die betrekking
hebben op het sluiten van een overeenkomst.
- Nietig  het beding (voorwaarden) bestaat niet.

Rangorde in regelingen.
- De rechtskrant is afhankelijk van het orgaan waarvan de regelgeving afkomstig is.
- Rangorde, waarbij de eerste regeling het hoogste in rang is:
1. Verdragen.
2. Gemeenschapsverordeningen en richtlijnen.
3. Grondwet.
4. Overige wetten.
5. Algemene maatregelen van bestuur.
6. Ministeriële regelingen en richtlijnen.
7. Provinciale verordeningen.
8. Gemeentelijke verordeningen.

Objectief en subjectief recht.
- Objectief recht  alle geldende regels, dus alle rechten en plichten die in de rechtsbronnen
zijn vast gelegd.
- Subjectief recht  recht dat aan iemand persoonlijk is toegekend. Subjectieve rechten en
plichten ontstaan vanuit de wet zelf.
- Alleen subjectieve rechten en plichten kunnen worden afgedwongen in een procedure voor
de rechter. Zonder subjectief recht kan ervan gelijk krijgen geen sprake zijn.
Paragraaf 1.4 grondrechten.
- Grondrechten  de meest elementaire en onvervreemdbare rechten van een individu, die
zowel door de overheid als door anderen gerespecteerd moet worden.
- Klassieke grondrechten  de overheid mag op deze rechten in beginsel geen inbreuk maken,
tenzij de wet haar die bevoegdheid verleent.
- Rechtmatig  in overeenstemming met het recht.
- Sociale grondrechten  rechten van een individu die door der overheid zo goed mogelijk
bereikbaar moeten worden gebruikt.
Paragraaf 1.5 recht en de praktijk van het zorg- en welzijnswerk.
Het recht bepaald:
- Het kader waarbinnen de hulp- en dienstverlening in het zorg- en welzijnswerk plaatsvindt.
- De juridische (on)mogelijkheden van de cliënt om zijn eigen welzijn vorm te geven.
- Juridisering  alles zwart op wit willen zetten en overal regeltjes voor bedenken.



5

,Begrippenlijst hoofdstuk 1.
- Algemene maatregel van bestuur: Koninklijk Besluit dat rechtsregels bevat.
- Aanvullend recht: rechtsregels die alleen gelden als specifieke afspraken tussen partijen
ontbreken.
- Arrest: uitspraak van het gerechtshof of de Hoge Raad.
- Dwingend recht: rechtsregels waarvan partijen niet mogen afwijken.
- Gemeenschapsverordeningen en richtlijnen: regelingen die door organen van de Europese
Unie zijn vastgesteld en die in EU-lidstaten gelden.
- Juridisering van de maatschappij: in regels vastleggen van veel situaties.
- Jurisprudentie: uitspraken van rechters.
- Klassieke grondrechten: rechten van een individu waarop de overheid alleen inbreuk mag
maken als de wet haar dat toestaat.
- Koninklijk Besluit: regering of ander besluit afkomstig van de regering.
- Ministeriële regeling: regeling afkomstig van een minister.
- Objectief recht: alle geschreven en ongeschreven rechtsregels.
- Rechtsbron: vindplaats van het recht.
- Rechtsregels: regels die zijn vastgelegd in rechtsbronnen.
- Semi-dwingend recht: rechtsregels waarvan alleen ten gunste van de andere partij mag
worden afgeweken.
- Sociale grondrechten: rechten van het individu die door de overheid zo goed mogelijk
bereikbaar moeten worden gemaakt.
- Subjectief recht: recht dat aan iemand persoonlijk is toegekend.
- Verdrag: afspraak tussen twee of meer staten die op schrift is vastgesteld en die geldt in de
staten de partij zijn van het gedrag.
- Verordening, provinciaal of gemeentelijk: regeling afkomstig van de Provinciale Staten of van
de gemeenteraad.
- Wet: regeling afkomstig van de regering en de Staten-Generaal.
- Wetsartikel: Genummerde bepaling in de wet.

Hoofdstuk 2 inleiding van het recht.
Paragraaf 2.1 publiekrecht en privaatrecht.
- Publiekrecht. De overheid oefent gezag uit op burgers d.m.v. wetgeving, bestuur en het
toepassen van sancties. Met haar gezag kan de overheid macht uitoefenen over de burger.
“Machtige overheid” en de “ondergeschikte burger”.
- Staatsrecht, bestuursrecht en strafrecht.
 Staatsrecht  hoe de wetgeving tot stand komt en de diverse organen van de overheid
en hun bevoegdheden.
 Bestuursrecht  de regels voor organen van de overheid en andere organen die met
openbaar gezag zijn bekleed, voor het gebruik van hun bevoegdheden.
 Nemen van besluiten: ook wel beschikkingen, omdat zij in individuele gevallen een
recht verlenen of plicht opleggen.
 Algemene beginselen van behoorlijk bestuur: zorgvuldigheidsbeginsel,
rechtszekerheidsbeginsel, gelijkheidsbeginsel, verbod van misbruik van bevoegdheid
en het motiveringsbeleid.
 Rechtsbescherming van burger tegenover de overheid.



6

,  Strafrecht  de gedragingen die de wetgever strafbaar heeft gesteld, evenals de straffen
die de rechter kan opleggen en de regels voor de manier waarop daders berecht moeten
worden.
- Privaatrecht (burgerlijk/civiel recht).
 Betrekking op de rechtsverhouding tussen personen of rechtspersonen.
 Betrokken (rechts)personen krijgen bepaalde rechten en verplichtingen t.o.v. elkaar. 
Verbintenissen.


Paragraaf 2.2 materieel recht en formeel recht.
Paragraaf 2.3 beginselen van het procesrecht.
- Geschillenbeslechting in twee instanties door onafhankelijke rechters.
 Een geschil kan op verzoek altijd een tweede keer inhoudelijk kan worden beoordeeld
door een andere rechter.
 Rechterlijke macht bestaat uit 3 lagen.

Hoge raad



Gerechtshof




Rechtbank met
Sector kanton

 Bijna alle geschillen worden eerst aan de rechtbank voor gelegd.
 Partijen kunnen beroep instellen als zij niet tevreden zijn met het vonnis. Dan gaan
ze naar het gerechtshof.
 Niet eens met de uitspraak in hoger beroep  in cassatie gaan bij de Hoge Raad.
Beslissende rol.
- Absolute en relatieve competentie.
 Absolute competentie  bevoegdheid van de rechter om te oordelen over
privaatrechtelijke, strafrechtelijke of bestuursrechtelijke geschillen.
 Relatieve competentie  bevoegdheid van een bepaalde rechtbank, gerechtshof of een
bestuursrechter om over een geschil te mogen oordelen.
Aanpassingen voor paragraaf 2.3.
De organisatie van de rechterlijke macht is gewijzigd. Er zijn thans elf rechtbanken en vier
gerechtshoven. De absolute competentie van de bestuursrechter is thans geregeld in de Algemene
wet bestuursrecht (AWB). Volgens art. 8:6 AWB is de rechtbank in eerste bevoegd om te oordelen
over bestuursrechtelijke geschillen, tenzij een andere rechter als bevoegde rechter is aangewezen in
hoofdstuk twee van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak. Deze regeling is als bijlage twee
toegevoegd aan de algemene wet bestuursrecht. Volgens art. 8:105 AWB is de Afdeling
Bestuursrechtspraak van de Raad van State bevoegd om te oordelen over het hoger beroep, tenzij
een andere rechter als bevoegde rechter is aangewezen in hoofdstuk vier van de
Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak.
Paragraaf 2.4 korte schets van het procesrecht.
- Bestuursprocesrecht.



7

,  Aanleiding voor een bestuursrechtelijk geschil is altijd een beschikking, van een
bestuursorgaan waar een burger (belanghebbende) het niet mee een is.
 Beschikking: besluit van een bestuursorgaan waarin aan een (rechts)persoon een
recht wordt verleend of geweigerd of waarin een plicht wordt opgelegd.
 In de bezwaarprocedure heroverweegt het bestuursorgaan zijn beslissing d.w.z. of de
belanghebbende een reden aanvoert waaruit blijkt dat het besluit in strijd is met het
recht.
 Beschikking  bezwaar  heroverweging door het bestuursorgaan  beschikking op
bezwaar  beroep  uitspraak v/d bestuursrecht  hoger beroep  uitspraak v/d
beroepsinstantie.
- Strafprocesrecht.
 Betrekking op de opsporing en vervolging van strafbare feiten door de overheid.
 3 fasen:
1. De opsporing van strafbare feiten.
2. Het onderzoek ter terechtzitting.
3. De tenuitvoerlegging van de straf.
 Gericht op het niet ontlopen van straf en het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
- Burgerlijk procesrecht.
 De regels van het procesrecht bij geschillen tussen (rechts)personen.
 Rechtsvordering  de actie waarbij iemand vordert (eist) waarop hij recht meent te
hebben.
 Partijautonomie  partijen kunnen zelf besluiten of zij hun geschil aan de rechter willen
voorleggen en zelf bewijzen moeten aandragen om de rechter te overtuigen.
 Burgerlijke rechter is lijdelijk  wacht af wat partijen aan hem voorleggen.
 Dagvaarding  conclusie  comparitie  schikking of vonnis van de burgerlijke rechter
 hoger beroep  cassatie.
Paragraaf 2.5 rechtshulp en rechtsbijstand.
Voor mensen die niet genoeg middelen hebben om een juridische geschoolde man of vrouw of
advocaat in te roepen, heeft de overheid de rechtsbijstand bedacht. Ook wel een toevoeging
geheten., voor minderdraagkrachtigen. In de Wet op de rechtsbijstand (WRB) is geregeld wie
aanspraak kan maken op gefinancierde rechtsbijstand en onder welke voorwaarden. In Nederland is
er een Juridisch Loket opgericht, waar mensen met een (juridische) probleem informatie kan krijgen
over zijn mogelijkheden. Op dertig plaatsen in Nederland is een Juridisch Loket te vinden. Het
Juridisch Loket kan je doorverwijzen naar instanties om je problemen op te lossen. Op de website
van het Juridisch Loket kan je zelf ook zoeken naar de mogelijke oplossing voor je probleem. De
website is www.juridischloket.nl. Het eerste advies van het Juridisch Loket is kosteloos, dit kan
telefonisch gaan of in persoon vorm bij het Loket zelf. Daarna moet er een bijdrage betaald worden.

Er moet een toevoeging worden aangevraagd worden bij het Bureau Rechtsbijstandsvoorziening,
voor het voeren van een procedure bij de burgerlijke rechter of de bestuursrechter. Bij het voeren
van een strafproces is rechtsbijstand kosteloos en krijgt de verdachte die geen advocaat heeft er een
toegewezen. Dit gebeurt in eerste instantie door de politie en daarna door de rechter die besluit om
een verdacht (langer) vast te houden in het belang van het opsporingsonderzoek. In veel gemeente
bestaat er een kosteloze en laagdrempelige sociaal – juridische advisering op een zeer breed terrein
door medewerkers van een Instituut Sociaal Raadslieden. De rechtshulp die hier wordt verleend,

8

Geschreven voor

Instelling
Studie
Vak

Documentinformatie

Geüpload op
18 januari 2017
Aantal pagina's
45
Geschreven in
2016/2017
Type
SAMENVATTING

Onderwerpen

$8.39
Krijg toegang tot het volledige document:

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kun je een ander document kiezen. Je kunt het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Maak kennis met de verkoper
Seller avatar
lisannelem

Ook beschikbaar in voordeelbundel

Maak kennis met de verkoper

Seller avatar
lisannelem Hogeschool Windesheim
Volgen Je moet ingelogd zijn om studenten of vakken te kunnen volgen
Verkocht
2
Lid sinds
9 jaar
Aantal volgers
2
Documenten
7
Laatst verkocht
8 jaar geleden

0.0

0 beoordelingen

5
0
4
0
3
0
2
0
1
0

Recent door jou bekeken

Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo makkelijk kan het dus zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen