Dans
Sociale context: mensen gaan samen dansen
Religieuze context: mensen dansen uit vorm van religie of als ritueel. Ook wel rituele context
Artistieke context: als vorm van kunst
Educatieve context: leerlingen leren in een creatief proces van ontdekken, onderzoeken en
maken vorm te geven aan hun ervaringen, gevoelens en ideeën
Dans: ritmische beweging van het lichaam op de maat van de muziek
Korte dansactiviteiten: de leerkracht maakt gebruik van bijvoorbeeld dansspellen als
stoelendans. Doel: ontspanning en plezier maken
Thema- of weekafsluitingen: de leerlingen presenteren door middel van dans de resultaten
die ze hebben. Doel: leren en verwerken van een presentatie
Dans in musical of voorstelling: groep 8 sluit bijvoorbeeld aan het einde van het jaar af met
een eindmusical, hier wordt dan meestal in gedanst
Receptief vermogen: de leerlingen kijken naar de dans
Onderzoekend vermogen: de leerlingen onderzoeken danselementen en kunnen dit
toepassen
Creërend vermogen: de leerlingen bedenken, creëren, produceren en presenteren hun dans
Sociaal vermogen: de leerlingen waarderen en respecteren elkaars manier van dans
Reflectief vermogen: leerlingen kunnen nadenken en praten over dans, reflectie
SMART: Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en Tijdgebonden
Dans als cultuurgoed: leerlingen verwerven kennis, vaardigheden en technieken om een dans
te creëren met vorm en betekenis
Dans als pedagogisch middel: dans wordt ingezet als didactisch middel bij andere vakken
waarbij de leerlingen de stof kunnen onderzoeken en verwerven
Dans als pedagogisch middel: dans kan worden ingezet voor de ontwikkeling van de sociale,
morele en intellectuele autonomie/vaardigheden van leerlingen
MVB-model: Materie, Vorm, Betekenis
Materie bij dans: lichaam als instrument, ruimte, tijd, kracht en danskwaliteiten
Vorm bij dans: afstemmen van materie en inhoud en dansante dramaturgie
Betekenis bij dans: inhoudelijke opvulling, onderwerp of thema en dansante dramaturgie
Dansante dramaturgie: spanningsopbouw
3 danselementen: Ruimte, tijd en kracht
Danskwaliteiten: combinatie van de danselementen
Divergent denken: veel variaties in kaart brengen om te kijken wat dienstbaar is als oplossing
Convergent denken: vele mogelijke kaderen naar EEN oplossing
, Piramide van Maslow: beschrijft de basisbehoeften van de mens
- Lichamelijke behoeften
- Veiligheid en zekerheid
- Behoefte aan sociaal contact
- Erkenning en waardering
- Zelfrealisatie
3 basisbehoeften van een kind: autonomie, competentie en relatie
Fluency: het vermogen om snel te kunnen antwoorden en binnen een bepaalde tijd ideeën
te genereren
Flexibility: niet vasthouden aan bekende oplossingen maar steeds op zoek naar nieuwe.
Originality: niet vasthouden aan bekende oplossingen maar steeds op zoek naar nieuwe
creatieve oplossingen.
Vrijmakingsfase: voorwaardenscheppende fase in het creatieve proces. Balans tussen
structuur en vrijheid is belangrijk
Beweegbehoefte in de onderbouw: bewegingsnood
Beweegbehoefte in de bovenbouw: bewegingsplezier
Beweegbehoefte in de bovenbouw: bewegingsreserves
Reflectie gesprek: aan het eind van de les waar in je bespreekt wat er goed ging en niet.
Lesonderdelen dans: inleiding, warming-up, instructie en exploratie, verwerking en afsluiting
Drama
Dramatisch spel: een spel of meerdere spelers die iemand spelen die niet zelf zijn, op een
andere plaats op tijd
Artistieke context: drama als kunstvorm
Sociale context: draait om de groep waar je mee samenwerkt
Educatieve context: leren van, over en door te leren drama. Door de doen alsof
Drama competenties: productie, receptie en reflectie
Productie: doen-alsof spel
Receptie: kijken naar anderen
Reflectie: nadenken en spreken over spel
Het tricomponent-attitudemodel: cognitief component, affectief component en conatief
component
Cognitief component: kennen
Affectief component: voelen
Conatief component: doen
Materie bij drama: uitdrukkingsmogelijkheden van het lichaam zoals mimiek, stem. En
verkennen van de basis-spelelementen
Vorm bij drama: spanningsopbouw, uitdrukkingsvormen zoals speltechnieken