Oefenvragen:
1. Wat is een voorbeeld van een prodroom?
a. Depressieve stemming bij dythymie
b. Verminderde zelfverzorging voorafgaan aan psychose
c. Impulsiviteit bij een borderline persoonlijkheidsstoornis
d. Hypomane episode bij een bipolaire stoornis
2. Over de geschiedenis van de psychiatrie kunnen we het beste stellen dat het verloop:
a. Redelijk positief en constant was
b. Lineair stijgend is, patiënten zijn steeds beter af
c. Lineair dalend is, patiënten zijn steeds slechter af
d. Wisselend is: nare en positieve periodes zijn er geweest
3. Wat is GEEN nadeel van het DSM-classificatiesysteem? De DSM:
a. Beschrijft alleen maar stoornissen
b. Geeft te uitvoerige behandeladviezen
c. Kent een enorme diversiteit binnen een classificatie
d. Is cultureel gekleurd.
4. Om volgens de DSM-4 een diagnose ADHD te krijgen, moet sprake zijn van:
a. Impulsiviteit/hyperactiviteit OF aandachttekort
b. Impulsiviteit/hyperactiviteit EN aandachttekort
c. Impulsiviteit/aandachttekort OF hyperactiviteit
d. Impulsiviteit/aandachttekort EN hyperactiviteit
5. Autismespectrumstoornissen zijn pervasieve stoornissen. Pervasief betekent?
a. Communicatie
b. Imaginair
c. Diepgaand
d. Ontwikkeling
1. Wat is een voorbeeld van een prodroom?
a. Depressieve stemming bij dythymie
b. Verminderde zelfverzorging voorafgaan aan psychose
c. Impulsiviteit bij een borderline persoonlijkheidsstoornis
d. Hypomane episode bij een bipolaire stoornis
2. Over de geschiedenis van de psychiatrie kunnen we het beste stellen dat het verloop:
a. Redelijk positief en constant was
b. Lineair stijgend is, patiënten zijn steeds beter af
c. Lineair dalend is, patiënten zijn steeds slechter af
d. Wisselend is: nare en positieve periodes zijn er geweest
3. Wat is GEEN nadeel van het DSM-classificatiesysteem? De DSM:
a. Beschrijft alleen maar stoornissen
b. Geeft te uitvoerige behandeladviezen
c. Kent een enorme diversiteit binnen een classificatie
d. Is cultureel gekleurd.
4. Om volgens de DSM-4 een diagnose ADHD te krijgen, moet sprake zijn van:
a. Impulsiviteit/hyperactiviteit OF aandachttekort
b. Impulsiviteit/hyperactiviteit EN aandachttekort
c. Impulsiviteit/aandachttekort OF hyperactiviteit
d. Impulsiviteit/aandachttekort EN hyperactiviteit
5. Autismespectrumstoornissen zijn pervasieve stoornissen. Pervasief betekent?
a. Communicatie
b. Imaginair
c. Diepgaand
d. Ontwikkeling