Basiskennis Taalonderwijs hoofdstuk 10
Taalbeschouwing
10.1 Het taalsysteem.
Binnen de taalkunde worden de niveaus bestudeerd bij verschillende onderdelen. Hieronder
zullen alle zes niveaus van taal behandeld worden:
10.1.1 Fonologie
De fonologie is de klankleer. Als we de taal op het fonologisch niveau bekijken, dan letten we
op de uitspraak van woorden, de regels voor de volgorde van spraakklanken, de intonatie of
het woordaccent.
Een foneem is een klank die betekenisverschil tussen woorden veroorzaakt. We spreken van
twee verschillende fonemen als twee spraakklanken ook verschil in betekenis
teweegbrengen. In been en beer hoor je twee verschillende ee-klanken, maar het is één
foneem.
10.1.2 Morfologie
De morfologie is een onderdeel van de taalkunde waarin men onderzoekt hoe woorden zijn
opgebouwd uit betekeniselementen en op welke manier een taalgebruiker nieuwe woorden
vormt.
Een morfeem is het kleinste betekenisdragende element van een taal. Er zijn twee soorten
morfemen. Vrije morfemen en gebonden morfemen een vrij morfeem kan alleen
voorkomen en niet opgesplitst worden in meerdere morfemen (huis, paard, meel, klein). Een
gebonden morfeem komt altijd voor met een ander woord, eigenlijk is dit gewoon een
voegsel als –ig, -heid, ge-, be-.
Op het morfologisch niveau van taal kunnen we dus nagaan hoe woorden zijn opgebouwd
uit morfemen. We kennen vier verschillende morfologische principes:
1. Samenstelling, we spreken van een samenstelling als twee losse woorden worden
samengevoegd tot één woord. (fiets + bel = Fietsbel)
2. Afleiding, is een woord waarvan niet alle delen als zelfstandig woord kunnen
voorkomen. Bij een afleiding wordt een gebonden morfeem toegevoegd aan een
woord zodat er een nieuw woord ontstaat. (nat + ig = nattig)
3. Verbuiging, bij verbuiging is er ook sprake van het samenvoegen van een vrij en
gebonden morfeem maar er ontstaat niet een geheel nieuw woord. (groot wordt
grote , beest wordt beesten )
4. Vervoeging, we spreken van een vervoeging als een werkwoord wordt vervormd met
bijvoorbeeld –t, -en, -te, -ten, -de, of –den. (werk wordt werkte)
Taalbeschouwing
10.1 Het taalsysteem.
Binnen de taalkunde worden de niveaus bestudeerd bij verschillende onderdelen. Hieronder
zullen alle zes niveaus van taal behandeld worden:
10.1.1 Fonologie
De fonologie is de klankleer. Als we de taal op het fonologisch niveau bekijken, dan letten we
op de uitspraak van woorden, de regels voor de volgorde van spraakklanken, de intonatie of
het woordaccent.
Een foneem is een klank die betekenisverschil tussen woorden veroorzaakt. We spreken van
twee verschillende fonemen als twee spraakklanken ook verschil in betekenis
teweegbrengen. In been en beer hoor je twee verschillende ee-klanken, maar het is één
foneem.
10.1.2 Morfologie
De morfologie is een onderdeel van de taalkunde waarin men onderzoekt hoe woorden zijn
opgebouwd uit betekeniselementen en op welke manier een taalgebruiker nieuwe woorden
vormt.
Een morfeem is het kleinste betekenisdragende element van een taal. Er zijn twee soorten
morfemen. Vrije morfemen en gebonden morfemen een vrij morfeem kan alleen
voorkomen en niet opgesplitst worden in meerdere morfemen (huis, paard, meel, klein). Een
gebonden morfeem komt altijd voor met een ander woord, eigenlijk is dit gewoon een
voegsel als –ig, -heid, ge-, be-.
Op het morfologisch niveau van taal kunnen we dus nagaan hoe woorden zijn opgebouwd
uit morfemen. We kennen vier verschillende morfologische principes:
1. Samenstelling, we spreken van een samenstelling als twee losse woorden worden
samengevoegd tot één woord. (fiets + bel = Fietsbel)
2. Afleiding, is een woord waarvan niet alle delen als zelfstandig woord kunnen
voorkomen. Bij een afleiding wordt een gebonden morfeem toegevoegd aan een
woord zodat er een nieuw woord ontstaat. (nat + ig = nattig)
3. Verbuiging, bij verbuiging is er ook sprake van het samenvoegen van een vrij en
gebonden morfeem maar er ontstaat niet een geheel nieuw woord. (groot wordt
grote , beest wordt beesten )
4. Vervoeging, we spreken van een vervoeging als een werkwoord wordt vervormd met
bijvoorbeeld –t, -en, -te, -ten, -de, of –den. (werk wordt werkte)