WEEK 1 “Mediatheorie 1,2, 3 en fases”
LEERVRAGEN LES 1 (VAN WIJK H13, DE BOER & BRENNECKE H1.4)
1. Wat zijn de overeenkomsten en verschillen tussen fundamenteel en praktijkgericht onderzoek?
2. Welk 4 eisen stelt men aan een onderzoek?
3. Waarop verklaren de metatheorieën de effecten op van media?
4. Wat doen onderzoekers en hbo-mediaprofessionals met de mediatheorieën
LEERVRAGEN LES 2 (VAN WIJK H14 & H15)
5. Wanneer begon de eerste fase, van de almachtige media?
6. Wanneer begon de tweede fase, van de beperkt machtige media?
7. Hoe heette de derde fase die in 1945 begon?
8. Hoe heette de vierde fase die rond 1960 begon? Welke fase liep toen door?
9. Wanneer begon de laatste (5e) fase, van de massamedia in informatietijdperk?
10. Leg de one-stepflowtheorie uit. In welke fase speelde deze af?
11. Wat is demonisering?
12. Wat gebeurde er na 1900?
13. Leg uit wat de two-stepflowtheorie is, in welke fase hoort deze?
14. Wat zijn opinieleiders en welke twee soorten heb je?
15. Wat zijn intermediërende factoren?
16. Leg uit wat de multi-stepflowtheorie inhoud, en bij welke fase deze hoort?
ANTWOORDEN LES 1
1. Bij beide onderzoeken ga je werken naar het ondersteunen of onderuithalen van een hypothese. Bij een
fundamenteel onderzoek wil je ‘weten om te weten’ en bij een praktijkgericht onderzoek wil je ‘weten om te doen’
en is er een opdrachtgever aanwezig.
2. Het onderzoek moet controleerbaar, herhaalbaar, generaliseerbaar en betrouwbaar zijn.
3. Mediatheorieën verklaren de effecten van de media op individu en samenleving.
4. Wetenschappers doen onderzoek naar theorieën, hbo-mediaprofessionals gebruiken deze theorieën.
ANTWOORDEN LES 2
5. De fase van de almachtige media begon vanaf het jaar 1900
6. De fase van de beperkt machtige media begon vanaf het jaar 1930