MET COACH 7
Chris Zijlstra
M-5VB
24-01-2022
, Chris Zijlstra
5-VWO 2
OPDRACHT 1:
a. Wanneer de snelheid waarmee de kogelstoter gooit toeneemt, zal het karretje ook in snelheid
toenemen. De grafiek zal bij een grotere gooisnelheid steiler lopen. Ook anders om is dit het geval, bij
een kleinere snelheid, zal de grafiek minder steil lopen.
b. Wanneer de massa van de kogels toeneemt, zal de snelheid van het karretje ook toenemen en zal de
grafiek steiler lopen. Wanneer de massa van de kogels afneemt, neemt de snelheid van het karretje
ook af en zal de grafiek minder steil lopen.
c. Wanneer je 20 kogels van 15 kilogram gebruikt, wegen de kogels evenveel als de man en de kar.
Immers m=m-mk dus 300 – 300 = 0. Als je m in de formule dv=dp/m invult, deel je door 0 en dit is niet
mogelijk.
d. Een parabool heeft als eigenschap dat het oneindig zal doorgaan. De grafiek van de kogelstoter
eindigt na honderd secondes en hieruit kan je concluderen dat de grafiek geen parabool is.
e. Wanneer de kogelstoter alle kogels
tegelijk weggooit is de massa van de
kogels (mk) 200, namelijk 20 kogels van
10 kg. De piek van deze grafiek
(eindsnelheid) ligt op 8 m/s na 5
seconden. Zie afbeelding.
f. Wanneer mk = 200, in plaats van mk = 10 dan is dp (de impuls) ook groter. Immers dp=mk*vk. Bij
kogels van 10 kg verloopt de impuls in kleine stapjes die uiteindelijk minder snel gaan en zal het
gewicht van het karretje geleidelijk afnemen. Dit zal uiteindelijk langer duren (4,5 m/s), terwijl bij mk
= 200 krijgt de kar in één keer een grote impuls krijgt (8 m/s) en al zijn gewicht verliest. De