3.1 Epitheel
Epitheel (dekweefsel) is een begrenzend weefsel en heeft de volgende kenmerken:
Er is geen tussencelstof;
De cellen liggen tegen elkaar aan;
Het bevat geen bloedvaten;
Het heeft een slijtfunctie: cellen sterven af en worden continu nieuw aangemaakt;
Het zit met een dunne laag, de basaalmembraan, vast aan het onderliggend weefsel.
Functies van epitheel zijn: bescherming, transport van stoffen en secretie van stoffen.
Eenlagige epithelen zijn:
Plaveiselepitheel (plaatepitheel, endotheel, mesotheel);
Kubisch epitheel;
Cilindrisch epitheel;
Trilhaarepitheel.
Meerlagige epithelen zijn:
Verhoornend plaveiselepitheel;
Niet-verhoornend plaveiselepitheel;
Overgangsepitheel.
Klierweefsel is ontwikkeld uit ingezonken epitheel en heeft een secretiefunctie. Er zijn
exocriene klieren (klieren met externe secretie) en endocriene klieren (klieren met interne
secretie).
11.1 Algemene werking van hormonen
Hormonen:
Zijn chemische boodschapperstoffen;
Worden door gespecialiseerde cellen geproduceerd en aan het bloed
afgegeven (interne secretie);
Worden via het bloed door het lichaam verspreid;
Hebben effect op specifieke cellen: de doelwitcellen.
Op grond van het effect op de doelwitcel zijn er twee groepen hormonen:
steroïdhormonen, aan cholesterol verwante stoffen; gaan de doelwitcel binnen
en vervolgens de celkern en remmen/stimuleren het DNA in/tot de vorming
van bepaalde eiwitten;
Peptidehormonen, eiwitten; passen op een specifieke membraanreceptor in
de celmembraan en na binding reageert de cel, bijvoorbeeld door de
membraandoorlaatbaarheid te veranderen of meer of minder stoffen af te
geven.
Epitheel (dekweefsel) is een begrenzend weefsel en heeft de volgende kenmerken:
Er is geen tussencelstof;
De cellen liggen tegen elkaar aan;
Het bevat geen bloedvaten;
Het heeft een slijtfunctie: cellen sterven af en worden continu nieuw aangemaakt;
Het zit met een dunne laag, de basaalmembraan, vast aan het onderliggend weefsel.
Functies van epitheel zijn: bescherming, transport van stoffen en secretie van stoffen.
Eenlagige epithelen zijn:
Plaveiselepitheel (plaatepitheel, endotheel, mesotheel);
Kubisch epitheel;
Cilindrisch epitheel;
Trilhaarepitheel.
Meerlagige epithelen zijn:
Verhoornend plaveiselepitheel;
Niet-verhoornend plaveiselepitheel;
Overgangsepitheel.
Klierweefsel is ontwikkeld uit ingezonken epitheel en heeft een secretiefunctie. Er zijn
exocriene klieren (klieren met externe secretie) en endocriene klieren (klieren met interne
secretie).
11.1 Algemene werking van hormonen
Hormonen:
Zijn chemische boodschapperstoffen;
Worden door gespecialiseerde cellen geproduceerd en aan het bloed
afgegeven (interne secretie);
Worden via het bloed door het lichaam verspreid;
Hebben effect op specifieke cellen: de doelwitcellen.
Op grond van het effect op de doelwitcel zijn er twee groepen hormonen:
steroïdhormonen, aan cholesterol verwante stoffen; gaan de doelwitcel binnen
en vervolgens de celkern en remmen/stimuleren het DNA in/tot de vorming
van bepaalde eiwitten;
Peptidehormonen, eiwitten; passen op een specifieke membraanreceptor in
de celmembraan en na binding reageert de cel, bijvoorbeeld door de
membraandoorlaatbaarheid te veranderen of meer of minder stoffen af te
geven.