- Personality Psychology van Larsen en Bus: hoofdstuk 1 + hoofdstuk 3
- Introduction to Personality van Mischel, shoda en ayduk: hoofdstuk 3
- Personality van Daniel Cervone en Lawrence A. Pervin: hoofdstuk 7
- Discovering statistics using SPSS for Windows van A. Field
- De zes belangrijkste persoonlijkheidsdimensies en de HEXACO-persoonlijkheidsvragenlijst van De
Vries, Ashton en Lee
- A general factor of personality: Evidence fort he Big One in the five-factor model van Musek.
Wat is de dispositionele benadering?
Traits:
- Bouwsteen van een persoonlijkheid.
- Kenmerken van een persoon.
Nomothetisch: iedereen heeft dezelfde trekken.
Idiographic: ieder persoon is uniek.
Hippocrates
1. Choleric (prikkelbaar)
a. Overvloed aan gele galg.
b. Element: vuur
2. Melancholic (depressie)
a. Overvloed aan zwarte galg.
b. Element: aarde
3. Sanguine (optimistisch)
a. Overvloed aan bloed.
b. Element: lucht
4. Phlegmatic (kalm, lusteloos)
a. Overvloed aan slijm.
b. Element: water
Eysenck
- Superfactors:
o Introversie vs. Extraversie
▪ Er vallen veel mensen in het midden.
▪ Introverte mensen ervaring opwinding snel, waardoor luide feesten bijvoorbeeld
niet comfortabel zijn. Extraverte personen ervaren opwinding minder snel, waardoor
ze graag naar luide feesten gaan.
o Emotioneel stabiliteit / neuroticisme
▪ Kijkt naar de mate van spanning en hoe snel je spanning krijgt.
o Psychoticisme
▪ Mate van gedrag dat als abnormaal wordt gezien, dus in het algemeen niet
geaccepteerd worden.
Component traits komen voort uit de superfactors. Component traits komen overeen met de 16
trekken van Cattell.
De superfactors zijn nomothetisch: iedereen heeft dezelfde traits. Daardoor is het mogelijk om de
mensen te vergelijken.
, Allport
- Hij wilt de verschillen tussen individu’s begrijpen.
- Persoonlijkheidskenmerken in drie categorieën: trekken, staten en activiteiten.
- Verschillende trekken:
o Cardinal traits: Je staat bekend om je eigenschap. Dus alles wat je doet verwijst naar die
eigenschap (Bv. Gierigheid). Er is een kleine kans dat je zo’n eigenschap hebt.
o Central traits: hetzelfde als een cardinal trait, maar deze is in minder mate aanwezig. Dus
deze eigenschap komt niet altijd naar voren. Het wordt gebruikt om een persoon te
omschrijven en veel mensen hebben deze trek.
o Secondary dispositions: komen nog minder voor dan de central trait. Deze trek komt alleen
naar voren in een specifieke situatie.
- Trekken vertellen iets over een mens in het algemeen, niet dat ze hun kenmerk in elke situatie
gebruiken (Bv. Introverten zijn in sommige situaties extravert).
- Idiographic research: ieder persoon is uniek.
- Functionele autonomie: Een kind doet dingen omdat het van zijn ouders moet. Later doet hij/zij
omdat ie het zelf wilt (Bv. Op school zitten).
Cattell
- Onderverdeling traits
o Surface traits: oppervlakkige trekken, ze bestaan op de ‘surface’ en zijn observeerbaar.
o Source traits: de bron of onderliggende oorzaak van de surface traits (factoranalyse: factors
die de correlatie beschrijven)
▪ Ability traits: vaardigheden en capaciteiten dat ervoor zorgt dat een individu
effectief functioneert (Bv. Intelligentie)
▪ Temperament traits: emotionaliteit en stijllistisch gedrag (Bv. Snel vs. Langzaam/
kalm vs. Emotioneel).
▪ Dynamic traits: het streven, motiverende leven (Bv. Gemotiveerd).
o Comment trait: iedereen bezit dezelfde trekken, maar iedereen heeft het in een andere
sterkte.
o Unique traits: de trek komt maar bij één specifiek persoon voor.
- Identificeren trekken (belangrijk)
o L-data: life record data.
▪ Gerelateerd aan gedrag in het alledaagse leven. Wordt geobserveerd (Bv.
Schoolresultaten).
o Q-data: jezelf beoordelen data.
▪ De antwoorden van een vragenlijst die je over jezelf moest invullen.
o OT-data: objectieve-test data.
▪ Miniaturen gedragssituatie waarvan de subject niet weet dat hij/zij gemeten wordt
op de relatie van hun antwoord en hun persoonlijkheid.
Hieruit kwam de 16 P.F. , een vragenlijst met 16 première trekken. De trekken kunnen op
elkaar lijken.
- Naast traits heb je andere factoren
o State: emotie en humeur op een specifiek moment (Bv. Bang/nieuwsgierig).
o Role/social role: twee mensen gaan zich verschillend gedragen naar elkaar als ze in
verschillende situaties zijn (Bv. Leraar tegen leerling in de klas of buiten schooltijd).
- Nomothetisch, want hij kon personen vergelijken doordat hij vond dat ze dezelfde trekken hebben.
Maar ieder persoon heeft wel een eigen profiel.
- Statistical benadering