Hoofdstuk 1 Facilitaire Dienst
1. Wat is een ander woord voor Facilitaire Dienst?
Groothuishouding.
2. Noem 2 voor en nadelen van het uitbesteden van werkzaamheden in de Facilitaire Dienst.
Voordelen: Door mensen van buitenaf in te huren krijg je een objectievere blik op de gang van zaken
en je huurt vaak specialisten in.
Nadelen: Je bent afhankelijk van een ander en je hebt kans dat er vertrouwelijke informatie uitlekt.
3. Waaruit bestaat de aanbestedingswet?
Bedrijven uit heel Europa kunnen als het ware op een soort Marktplaats met elkaar concurreren om
in aanmerking te komen bij een opdracht vanuit de overheid. Het geeft ook kleine bedrijven de kans,
scheelt administratieve lasten, klachten worden beter afgehandeld en er is een betere naleving van
de regels.
4. Noem een voorbeeld van een non-profit, semi-profit en een profit organisatie.
Een profit organisatie kan bijvoorbeeld een kapper binnenin een verzorgingstehuis zijn of een
bezoekersrestaurant in een ziekenhuis.
Een non-profit organisatie is bijvoorbeeld een ziekenhuis of verzorgingstehuis.
Een semi-profit organisatie is bijvoorbeeld een winkeltje in een instelling.
5. Welke factoren hebben invloed op de vorm van de facilitaire organisatie?
- Uitbesteden/eigen beheer
- Profit/non-profit
- Grootte van de instelling
- Visie van instelling
- Mening leidinggevende
- Kosten
- Prioriteiten
6. Welke 3 hiërarchische niveaus zijn er binnen een organisatie en leg uit waar deze zich op richten.
- Strategische niveau – raad van bestuur en directie bepalen het beleid en waar de organisatie zich
op gaat richten.
- Tactische niveau – Het beleid en doelen wordt omgezet naar actie.
- Operationele niveau – Uitvoeren van gestelde doelen.
7. Noem drie voorbeelden waar een Facilitair Manager voor gebeld wordt.
- Versiering voor de kerst moeten worden opgehangen worden, kerstbomen enz.
- Er wordt een nieuw bouwproject gestart.
- Tuinmeubilair moet naar binnen.