Hoorcollege 1
Tentamen: 16-20 open vragen. Referaat voor een van de drie vakken (geen cijfer). Kleine opdrachten
die voldaan moeten zijn, geen cijfer. Eerste opdracht voor volgende week.
Waarom is lezen moeilijk?
We hebben neurologische mechanismen om te spreken en verstaan, maar dit hebben we niet
speciaal voor lezen. Maar het schrift is wel zo gemaakt, dat we dit kunnen lezen, dus blijkbaar zit er
toch iets in de hersenen.
Relatie tussen visueel lettersymbool en klank is arbitrair, moet je dus uit je hoofd leren. Er is geen
een-op-een relatie tussen de letter en de klank. De letter ‘e’ kan bijvoorbeeld op meerdere manieren
worden uitgesproken, maar wordt hetzelfde geschreven.
Lezen is geen letter-voor-letter proces. Spreken is geen klank-voor-klank proces, we spreken
in lettergrepen en niet per klank apart. Hierdoor ook co-articulatie (aanpassing van klanken
aan voorgaande of komende klank). Fonemen zijn een abstractie, kennis hierover is geen
vereiste voor het spreken.
Model Levelt: makkelijkste patroon voor lettergrepen is: consonant en dan een vocaal.
Als spraak zou bestaan uit alleen vaste klanken en achter elkaar geplakt worden, dan zou je het niet
kunnen verstaan. Co-articulatie is nodig. Je hoort de bewegingen die de spreker maakt (niet de
klanken) en hierdoor kun je het verstaan door het in de eigen articulatorische bewegingen te
vertalen. We kunnen alleen zoveel klanken produceren door de articulatoren die afwisselingen
kunnen maken.
Alfabetisch schrift is wel gebaseerd op alle afzonderlijke klanken, en daardoor maakt het lezen zo
moeilijk. Spraak bestaat niet uit klanken, maar uit lettergrepen.
Plaatje categorische spraak perceptie;
tussen 1 en 3 hoor je geen verschil, dus geen
discriminatie. Bij kinderen met dyslexie verloopt het
categoriseren (horen van
verschil/spraakwaarneming) van klanken minder
goed. Hierdoor is het moeilijker om de koppeling
met de letter te maken.