De student beschrijft de epidemiologie, etiologie, symptomatologie, diagnostiek,
behandelmogelijkheden en prognose van Diabetes Mellitus.
Alvleesklier (pancreas)
- Alvleesklier maakt insuline
- Eilandjes van de langerhans (ongeveer 0.1 gram) suikerhuishouding
- Bèta cellen insuline Bèta cellen hebben receptoren voor glucose, op basis van
hoeveel glucose gemeten wordt wordt bepaald hoeveel insuline er afgegeven wordt.
- Alfa cellen glucagon
- Diabetes tekort aan voldoende functionerend insuline
- Glucose zorgt voor insuline afgifte gaat heel snel.
Wat gebeurt er in levercellen en skeletspieren?
Als insuline in bloedt komt bindt zich dit aan insuline receptoren. Deze receptoren zitten
vooral op skeletspiercellen en levercellen. Als dit zicht bindt wordt suiker vanuit je bloed in
de cellen gepompt.
Hoeveelheid glucose in bloed wordt dus lager. De suiker/glucose in die in de cellen gaan
worden in de ‘polonse/file’ gezet, op dit moment noem je het glucogeen.
Als je gaat ‘hongeren’ dan wordt je bloedsuiker lager, dan wordt dit gemeten in de
alvleesklier door de alfa cellen. De alfacellen gaan dan het hormoon glucogon afgegeven. Dit
heeft een aantal bijwerkingen: adrenaline in je bloed, glyconolyse in werking (polonse wordt
opgeheven)
Het bloedsuikergehalte van iemand die geen diabeet is, is tussen de 4 en 7 millimol per liter)
Doe je niks, dan heb je voor ongeveer 24 uur glucose in je lichaam. Ben je erg intensief dan is
dit slecht 1.5/ 2 uur. Dan start de vetverbranding.
Glucose metabolism
• Insuline zorgt dus voor omzetting van glucose naar glycogeen
• Maar bij te veel glucose:
• Omzetting glucose naar vetzuren (gebeurt hoofdzakelijk in lever)
• Vervoerd als triglyceride naar perifeer (LDL) (vervoerd naar vetcellen)
• Insuline activeert lipoproteïne lipase in vetcellen
• Opname vetzuren in vetcellen
Diabetes
Verschillende vormen: (er zijn twee typen diabetes (1&2), maar meerdere subtypen:)
• Diabetes mellitus type 1 (DM1);