Bouwkunde leerjaar 1 kwartiel 4
Beheer en onderhoud
Bouwkundige deel
,College 1
Voor 1940 (vooroorlogse woningen tot 1945)
- Steens en/of anderhalfsteens gevelwanden en houten vloer- en kapconstructie
- Steensmuur gevel, tot 1930
- Spouwmuur (intrede vanaf 1920, vanaf 1930 spouwmuur ong 230 mm en vanaf 1960
bouwen met spouwmuur verplicht later spouwmuur iets groter 11-5-11 vanaf
1932 standaard spouwmuur maat 27 cm)
- Ambachtelijke bouw / architectuur en rijke detaillering
- Materiaalgebruik was kwalitatief goed
Conclusie jaren ’20 / ’30 woningen
- Woningen zijn oncomfortabel door tocht en ‘koudeval’
- De woningen zijn goed aanpasbaar
- Meeste woningen zijn inmiddels voorzien van centrale verwarming en in relatie
daarmee voorzien van isolatie en kierdichting
Na 1945 (vroeg naoorlogse woningen tot 1964)
- Tekort aan bouwmaterialen en deskundige arbeiders
- Merendeel van de woningen zijn traditioneel gebouwd
- Industrieel bouwen is in opkomst
- Vanaf 1960 bouwen met spouwmuur verplicht
- Gevels veelal ongeïsoleerde spouwmuurconstructie
- Meestal houten vloeren
- Houten kapconstructie
- Veelal voor de sociale huursector
- Ambachtelijk gebouwd, maar door de behoeft aan bouwproductie geen rijke /
overdadige detaillering meer toegepast
Vanaf 1964 tot 1974 (woningnoodwoningen)
- Korte bouwtijd door moderne bouwconstructies en inzet materieel
- Stapelbouw, gietbouw, prefab (beton) elementen en toepassing van prefab vloer- en
daksystemen
- Spouwwanden vaak nog ongeïsoleerd en icm gevelbullende elementen
- Lichte vloeren: Nehobo en cusveller / perfora (150 tot 250 kg/m2)
- Opkomst betonwanden
- Staalskeletbouw (polynorm) rond 1950
- Opkomst experimentele bouwsystemen zoals Airey (tot 1960), Muwi (1968)
- Coignet (prefab betonsysteem) tot 1975
- Ondergang experimentele bouwsystemen
- Mislukking zwevende dekvloer bij hoogbouw (1960)
- Vloeren worden zwaarder (invloed door grotere vrije overspanning)
- Sobere detaillering, risico op betonrot, plaatselijke koudebruggen vaak tpv lateien
, Na 1974 de Energiecrisiswoningen
- Oliecrisis 1973 zorgt voor bewustwording van energiegebruik
- 1975 Rc-waarde gevels 1,3 m2K/W, 1979 dubbele beglazing vereist en 1983 Rc-
waarde begane grond vloeren 1,3 m2K/W
- Ankerloze spouwmuur (als scheidingsmuur)
- Gestapelde elementen, kalkzandsteenelementen
- Prefab beton (vanaf 1984 geïsoleerde kanaalplaatvloer), ihw gestort beton
- Dak veelal een geïsoleerd systeemdak
- Prefab Noorse Pui (groot gevel-vullende HSB-element met daar het kozijn in
opgenomen)
- HSB (binnenspouwblad)
- Zwaarder bouwen (1977, 1992 en 2003)
- Vanaf 1980 kwamen de kunststof en aluminium kozijnen meer in opkomst
Beheer en onderhoud
Bouwkundige deel
,College 1
Voor 1940 (vooroorlogse woningen tot 1945)
- Steens en/of anderhalfsteens gevelwanden en houten vloer- en kapconstructie
- Steensmuur gevel, tot 1930
- Spouwmuur (intrede vanaf 1920, vanaf 1930 spouwmuur ong 230 mm en vanaf 1960
bouwen met spouwmuur verplicht later spouwmuur iets groter 11-5-11 vanaf
1932 standaard spouwmuur maat 27 cm)
- Ambachtelijke bouw / architectuur en rijke detaillering
- Materiaalgebruik was kwalitatief goed
Conclusie jaren ’20 / ’30 woningen
- Woningen zijn oncomfortabel door tocht en ‘koudeval’
- De woningen zijn goed aanpasbaar
- Meeste woningen zijn inmiddels voorzien van centrale verwarming en in relatie
daarmee voorzien van isolatie en kierdichting
Na 1945 (vroeg naoorlogse woningen tot 1964)
- Tekort aan bouwmaterialen en deskundige arbeiders
- Merendeel van de woningen zijn traditioneel gebouwd
- Industrieel bouwen is in opkomst
- Vanaf 1960 bouwen met spouwmuur verplicht
- Gevels veelal ongeïsoleerde spouwmuurconstructie
- Meestal houten vloeren
- Houten kapconstructie
- Veelal voor de sociale huursector
- Ambachtelijk gebouwd, maar door de behoeft aan bouwproductie geen rijke /
overdadige detaillering meer toegepast
Vanaf 1964 tot 1974 (woningnoodwoningen)
- Korte bouwtijd door moderne bouwconstructies en inzet materieel
- Stapelbouw, gietbouw, prefab (beton) elementen en toepassing van prefab vloer- en
daksystemen
- Spouwwanden vaak nog ongeïsoleerd en icm gevelbullende elementen
- Lichte vloeren: Nehobo en cusveller / perfora (150 tot 250 kg/m2)
- Opkomst betonwanden
- Staalskeletbouw (polynorm) rond 1950
- Opkomst experimentele bouwsystemen zoals Airey (tot 1960), Muwi (1968)
- Coignet (prefab betonsysteem) tot 1975
- Ondergang experimentele bouwsystemen
- Mislukking zwevende dekvloer bij hoogbouw (1960)
- Vloeren worden zwaarder (invloed door grotere vrije overspanning)
- Sobere detaillering, risico op betonrot, plaatselijke koudebruggen vaak tpv lateien
, Na 1974 de Energiecrisiswoningen
- Oliecrisis 1973 zorgt voor bewustwording van energiegebruik
- 1975 Rc-waarde gevels 1,3 m2K/W, 1979 dubbele beglazing vereist en 1983 Rc-
waarde begane grond vloeren 1,3 m2K/W
- Ankerloze spouwmuur (als scheidingsmuur)
- Gestapelde elementen, kalkzandsteenelementen
- Prefab beton (vanaf 1984 geïsoleerde kanaalplaatvloer), ihw gestort beton
- Dak veelal een geïsoleerd systeemdak
- Prefab Noorse Pui (groot gevel-vullende HSB-element met daar het kozijn in
opgenomen)
- HSB (binnenspouwblad)
- Zwaarder bouwen (1977, 1992 en 2003)
- Vanaf 1980 kwamen de kunststof en aluminium kozijnen meer in opkomst