Mieke Donk
Dit tentamen bestaat uit 48 vragen. Elke vraag heeft een gelijk gewicht in de
beoordeling. Lees de vragen en de bijbehorende alternatieve antwoorden zorgvuldig.
LET OP! Studenten Kunstmatige Intelligentie dienen alleen de vragen 1 t/m 24 te
maken. Alle overige studenten dienen alle vragen (de vragen 1 t/m 48) te
beantwoorden.
1. Welke van de volgende gevallen is een voorbeeld van een negatief feedback
systeem?
a. Een raket die steeds sneller wordt naarmate hij dichter bij het doelobject komt.
b. Een cola automaat die iedere keer een blikje cola in een vakje laat vallen als
een munt wordt ingeworpen.
c. Twee landen die zich bevinden in een wapenwedloop en uiteindelijk in oorlog
met elkaar komen.
d. Een robot op een schip die een kanon gericht houdt op een doelobject ondanks
bewegingen van het schip.
2. Het deel van de hersenen dat instaat voor het reguleren van honger, dorst, seks en
temperatuur is
a. de thalamus.
b. de hypothalamus.
c. het cerebellum.
d. de hippocampus.
3. Bij honger wordt
a. Glucose omgezet tot Glycogeen.
b. Glucose omgezet tot vet.
c. Glycogeen omgezet tot Glucose.
d. Glycogeen omgezet tot vet.
4. De twee onderdelen van het perifere zenuwstelsel zijn
a. de hersenen en het ruggenmerg.
b. het somatische en het autonome zenuwstelsel.
c. het sympathische en het parasympathische zenuwstelsel.
d. het afferent en het efferent.
,5. Neurotransmitters uit het presynaptische neuron A hebben een exciterende werking
op het postsynaptische neuron B als
a. ze het potentiaalverschil tussen de binnen- en buitenkant van neuron A
verhogen.
b. ze het potentiaalverschil tussen de binnen- en buitenkant van neuron A
verlagen.
c. ze het potentiaalverschil tussen de binnen- en buitenkant van neuron B
verhogen.
d. ze het potentiaalverschil tussen de binnen- en buitenkant van neuron B
verlagen.
6. Tijdens een hersenoperatie wordt bij een patiënt een deel van het primaire motor
projectie gebied gestimuleerd. Als gevolg van deze stimulatie beweegt het linker been
van de patiënt. De meest waarschijnlijke plaats van stimulatie was het ….. deel van de
….. kwab.
a. linker; frontale
b. rechter; frontale
c. linker; pariëtale
d. rechter; pariëtale
7. Een tik met een hamertje net onder de knie voert tot een beweging van het
onderbeen, de kniepeesreflex. Deze beweging die optreedt als een functie van een tik
is een voorbeeld van een
a. ongeconditioneerde response.
a. geconditioneerde response.
b. ongeconditioneerde stimulus.
c. geconditioneerde stimulus.
8. In klassieke conditionering leert een dier de relatie tussen ….; in instrumentele
conditionering, leert een dier de relatie tussen….
a. CR en US; stimulus en response
b. CS en UR; stimulus en response
c. CR en UR; response en beloning
d. CS en US; response en beloning
9. Welke rat zal de meest snelle extinctie met betrekking tot het indrukken van een
knop laten zien? Een rat getraind met
a. een VR 10 schema van reïnforcement.
b. een VR 5 schema van reïnforcement.
c. een FR 12 schema van reïnforcement.
d. continue reïnforcement.
,10. De Weber fractie voor discriminatie van gewichten is ongeveer 1/40. Hoeveel
gram dient men toe te voegen aan een standaardgewicht van 240 gram om een
verschil te kunnen waarnemen?
a. 2 gram
b. 3 gram
c. 6 gram
d. 40 gram
11. Een waarnemer ziet twee even grote bomen. De ene boom staat op een afstand
van 20 meter van de waarnemer en de andere boom staat op een afstand van 100
meter van de waarnemer. Het retinale beeld van de eerste boom zal …... de tweede
boom
a. groter zijn dan dat van
b. kleiner zijn dan dat van
c. gelijk zijn aan dat van
d. omgekeerd zijn in relatie tot het beeld van
12. De fysiologische basis voor helderheidcontrast is
a. Mach banden.
b. laterale inhibitie.
c. de excitatie van receptieve velden.
d. de inhibitie van ganglion cellen door bipolaire cellen.
13. Stel dat de afstand tussen de ogen vergroot kan worden. Dit zou het volgende
effect hebben:
a. een toename in de binoculaire dispariteit.
b. een afname in de binoculaire dispariteit.
c. een verhoging van het effect van bewegingsparallax.
d. een verlaging van het effect van bewegingsparallax.
14. Aan een proefpersoon wordt gevraagd hoe hij de volgende stimulus waarneemt:
-*-*-*
De proefpersoon meldt deze stimulus waar te nemen als drie paren waarbij ieder paar
een streepje en een sterretje bevat. Deze proefpersoon heeft de stimuli gegroepeerd op
basis van
a. gelijkheid (similarity).
b. nabijheid (proximity).
c. goede continuatie (good continuation).
d. omsluiting (closure).
,15. Een ambigue figuur kan waargenomen worden als een jong meisje of een oude
vrouw. Mensen die in een bejaardentehuis werken nemen deze figuur over het
algemeen waar als een oude vrouw. Dit is een demonstratie van
a. de Gestalt principes van organisatie.
b. bottom-up invloeden.
c. perceptuele constantheden.
d. top-down invloeden.
16. Volgens de stadium theorie van geheugen
a. worden items in het geheugen uitgesplitst.
b. komen items alleen in het lange-termijn geheugen (LTM) nadat zij in het
korte-termijn geheugen (STM) zijn geweest.
c. worden alle items uit het korte-termijn geheugen (STM) op den duur
overgezet naar het lange-termijn geheugen (LTM).
d. b en c
17. In een geheugentaak wordt aan proefpersonen vaker gevraagd achteruit te tellen
gedurende het interval tussen stimulus presentatie en rapportage. Waarom wordt deze
achteruitteltaak vaak gebruikt?
a. Deze taak draagt bij tot een hogere concentratie.
b. Deze taak houdt de proefpersoon alert.
c. Deze taak verhinderd interferentie van andere zaken.
d. Deze taak overschrijft de inhoud van het werkgeheugen.
18. Uit een verbale leerstudie bleek retroactieve interferentie de belangrijkste oorzaak
van vergeten. Deze studie liet zien dat
a. het aantal eerder geleerde lijsten de kans op het onthouden van latere lijsten
verlaagde.
b. het aantal eerder geleerde lijsten de kans op het onthouden van latere lijsten
verhoogde.
c. het aantal nieuw geleerde lijsten de kans op het onthouden van eerder geleerde
lijsten verlaagde.
d. het aantal nieuw geleerde lijsten de kans op het onthouden van eerder geleerde
lijsten verhoogde.
19. Uitgaande van een hiërarchisch netwerk van representaties: welke van de
volgende vragen resulteert in de langste tijd om “ja” of “nee” te antwoorden?
a. Is een konijn een knaagdier?
a. Is een stoel een meubelstuk?
b. Is een aap een zoogdier?
c. Is een spreeuw een dier?
, 20. Het inzicht missen een nagelvijl te gebruiken om een doosje te openen is een
voorbeeld van
a. een heuristische benadering.
b. een mentale set.
c. representationeel denken.
d. de ‘availability’ heuristiek.
21. Tijdens het testen van een hypothese lijden mensen vaak onder de ‘confirmation
bias’. Dit is
a. het testen van meer hypothesen dan noodzakelijk.
b. het zoeken naar evidentie tegen de hypothese in plaats van het eerlijk
vergelijken van alle evidentie.
c. veronderstellen dat iedere hypothese die plausibel klinkt, waar is.
d. meer aandacht schenken aan evidentie die consistent is met de hypothese dan
aan evidentie die dit niet is.
22. Variabiliteit binnen een soort is een …… evolutionaire verandering
a. ongewild bijproduct van
b. een essentiële conditie voor
c. een barrière voor
d. teken van een op handen zijnde
23. Een mentale test is betrouwbaar wanneer
a. de test werkelijk meet wat hij pretendeert te meten.
b. de test consistent meet wat hij pretendeert te meten.
c. de scores op de test een indicatie geven van een bepaald karakteristiek.
d. de individuele scores altijd hetzelfde blijven wat er ook gebeurt.
24. Judi is zes jaar oud en kan in een Binet intelligentie test alle items oplossen die
een gemiddelde negenjarige kan oplossen. Ze kan nog niet de items oplossen die door
een gemiddelde 10-jarige kunnen worden opgelost. Het IQ van Judi is:
a. 50 punten.
b. 100 punten.
c. 150 punten.
d. Dit is onmogelijk te bepalen op basis van het bovenstaande.
25. De reacties van de proefpersonen in de studie van Asch waarin proefpersonen
lijnen moesten beoordelen, suggereren dat
a. we geloven dat de fysieke realiteit gedeeld wordt door alle mensen.
b. de publieke opinie weinig invloed heeft op onze persoonlijke opvattingen.
c. ons geloof in de fysieke realiteit immuun is tegen sociale druk.
d. cognitieve en sociale processen apart en onafhankelijk zijn.