Groei en secundaire geslachtsontwikkeling:
Schedelbestraling kan door tijdelijke vermindering van de groeihormoonsecretie
groeiremming veroorzaken, waardoor de uiteindelijke lengte van het kind 3-5 cm minder is
dan te verwachten was. Bestraalde kinderen blijven duidelijk kleiner dan niet-bestraalde
kinderen, maar het ligt wel binnen de grenzen van de normale populatie. De leeftijd bij
diagnose en de duur van de behandeling zijn niet van invloed op de lengtegroei. Bij 90 van
de kinderen met ALL verloopt de secundaire geslachtsontwikkeling normaal; bij ca 10 van
hen is deze gestoord ten gevolge van beschadiging van het hypothalamus-hypofysesysteem
door schedelbestraling of ten gevolge van dysfunctie van de gondaden door behandeling
met cytostatica.
Centraal zenuwstelsel:
Schedelbestraling en intrathecale toediening van cytostatica kan leiden tot
hersenbeschadiging die tot uiting komt in neurologische en (of) neuropsychologische
afwijkingen. Factoren die daarbij een rol spelen zijn: leeftijd van het kind ten tijde van de
behandeling, de stralingsdosis per fractie en reeds bestaande neurologische afwijkingen.
Symptomen: hoofdpijn, dysartrie, epilepsie en heel soms epilepsie, paralyse en dementie. Bij
zeer jonge kinderen kan schedelbestraling leiden tot verminderde intelligentie.
Lever:
Leverfunctiestoornissen en histologische afwijkingen van de lever worden tijdens
behandeling met methotrexaat veelvuldig waargenomen. Bij vrijwel alle patiënten treedt
evenwel herstel op na beëindiging van de therapie en slechts zelden bleek de beschadiging
progressief en trad levercirrhose op.
Hart:
De kans op een myocardbeschadiging is zeer gering. Wel zie je bij een steeds hogere dosis
vaker decompensatio cordis voorkomen.
Ooglens:
Schedelbestraling en langdurige toediening van corticosteroïden kunnen elk de kans op het
ontstaan van cataract verhogen (verschilt van 2-50%). De ernst hangt nauw samen met de
observatieduur en met de hoeveelheid toegediende corticosteroïden.
Immunosuppressie en infecties:
Het afweervermogen kan ernstig verstoord zijn na cytostatica. 6 tot 12 maanden na het
staken van de therapie worden de meeste immunologische bepalingen normaal; je bent dan
niet meer verhoogd gevoelig voor infecties. Het is wel slim om kinderen te revaccineren
tegen kinderziektes, difterie, tetanus en polio. Hoewel tijdens behandeling met cytostatica
frequent luchtweginfecties optreden, en ernstig kunnen verlopen, leiden deze zelden tot
chronische longafwijkingen.
Fertiliteit en progenituur:
Vóór de puberteit is de kans op beschadiging van de ovaria door cytostatica gering. Na de
puberteit kan langdurige, intensieve cytostatische behandeling leiden tot ovariële dysfunctie