Hoofdstuk 11, Het cardiovasculaire stelsel: Bloed
11.1 Functies bloed: Bloed vormt snel transport in het lichaam voor:
- transport van cellen en stoffen - Voedingsstoffen
- pH reguleren - Hormonen
- beperken bloedverlies (stolling) - Afvalstoffen
- verdediging ziekteverwekkers - Ademhalingsgassen
- temperatuurregeling. - Cellen
- Warmte
Kleine embryo´s hebben geen bloedvatenstelsel nodig, omdat de uitwisseling van materialen
snel genoeg via diffusie over het uitwendig oppervlak kan plaatsvinden om in hun behoeften
te voorzien. Tegen de tijd dat het embryo enkele mm lang is, verbruiken de zich
ontwikkelende weefsels meer zuurstof en voedingsstoffen waardoor het bloedvatenstelsel
hier wel moet gaan beginnen te functioneren. Het hart begint aan het eind van de 3e week te
kloppen.
Bloed kan worden verdeeld in: Groepen plasma eiwitten:
- plasma - Albuminen
- vaste bloedbestanddelen: - Globulinen
● rode bloedcellen (erytrocyten) vol bloed - Fibrinogeen
● witte bloedcellen (leukocyten) - Regulerende eiwitten (hormonen)
● bloedplaatjes (trombocyten)
Hemopoëse >> een proces waarbij vaste bloedbestanddelen worden geproduceerd.
Er zijn 2 groepen stamcellen, de myeloïde stamcellen en de lymfoïde stamcellen.
55 % van het bloed is plasma, waarvan 92 procent water is, 1 procent opgeloste stof en 7
procent eiwitten.
bij bloedafname wordt er een veneuze punctie gedaan. Hier wordt bloed afgenomen uit een
oppervlakkig gelegen ader, zoals de vena mediana cubuti (op de voorkant van de elleboog).
Eigenschappen bloed:
- temperatuur van ±38 graden, iets hoger dan de normale lichaamstemperatuur.
- Viscositeit is 5 x zo viskeus als water (kleverig en stroperig en stroomt 5 x zo traag).
- pH is enigszins basisch, het ligt tussen 7,35 en 7,45; gemiddeld 7,4.
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
11.2 Plasma vormt 46-63% van het volume van vol bloed en water vormt 92% van het
volume van plasma. De belangrijkste verschillen tussen plasma en interstitiële vloeistof zijn
de concentraties van de ademhalingsgassen en de concentratie van opgeloste eiwitten. De
eiwitconcentraties verschillen, doordat plasma-eiwitten te groot zijn om door de wanden van
de capillairen te passeren.
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
De 3 belangrijkste typen plasma-eiwitten zijn:
Albumine: Maakt 60 % uit van alle eiwitten, voorkomt lekken van water uit de bloedvaten
naar de weefsels. En voorziet de weefsels van voedingsstoffen. Ook levert het de grootste
bijdrage aan de osmotische druk. Kan zich aan vet binden.
Globulinen: Ook wel immunoglobulinen genoemd, maken 35 procent uit van de eiwitten.
Maakt antistoffen aan en transporteert hormonen. Het valt lichaamsvreemde eiwitten en
ziekteverwekkers aan. Kan zich aan vet binden.
Fibrinogeen: Maakt 5 % deel uit van eiwitten, en is een bloedstollingseiwit. Ze kunnen
worden omgezet in onoplosbare strengen fibrine. Fibrine vormt het raamwerk van een
bloedstolsel. Serum: plasma zonder bloedstollingseiwitten.
Zowel albuminen als globulinen kunnen zich aan vetten binden, bijv. aan triglyceriden,
1