Begrippen hoofdstuk 4 7 8 9 12 13 14 16
Begrippenlijst hoofdstuk 8:
Afhankelijkheid: verminderde controle over het gebruik van een psychoactief middel, vaak
gekenmerkt door fysiologische afhankelijkheid.
Alcoholisme: afhankelijkheid van of verslaving aan alcohol die leidt tot ernstige persoonlijke, sociale,
beroepsmatige of gezondheidsproblemen.
Amfetaminen: typen stimulantia zoals Benzedrine of Dexedrine.
Amfetaminepsychose: een psychotische toestand die door het gebruik van amfetaminen wordt
veroorzaakt.
Barbituraten: kalmerende middelen die worden gebruikt om angst te verlichten of slaap op te
wekken en die zeer verslavend werken.
Cocaïne: een natuurlijk stimulerend middel dat wordt geëxtraheerd uit de bladeren van de
cocaplant. Meestal in poedervorm gesnoven.
Crack: een vaste vorm van cocaïne die meestal gerookt wordt en soms meer dan 75 procent zuiver is.
Dempend middel: een stof die de activiteit van het centraal zenuwstelsel onderdrukt.
Detoxificatie: proces waarbij het lichaam onder medische begeleiding van alcohol of drugs wordt
ontdaan.
Drugsmisbruik: het voortdurende gebruik van een psychoactief middel ondanks de wetenschap dat
dit een sociaal, beroepsmatig, psychologisch of lichamelijk probleem veroorzaakt.
Endorfine: natuurlijke stoffen die in de hersenen als neurotransmitter werken met een effect dat lijkt
op dat van morfine.
Fysiologische afhankelijkheid: een situatie waarin het lichaam van de druggebruiker afhankelijk
wordt van een voortdurende toevoer van de stof.
Hallucinogene middelen: stoffen die hallucinaties veroorzaken.
Heroïne: een bewustzijnverlagend middel dat uit morfine wordt bereid en dat sterk verslavende
eigenschappen heeft.
Intoxicatie: een toestand waarin de hersens zo zijn beïnvloed door het middel dat ze niet meer
adequaat kunnen functioneren. In bepaalde gevallen kan intoxicatie tot de dood leiden.
Marihuana: een hallucinogeen middel dat wordt bereid uit de bladeren en stengels van de plant
Cannabis sativa.
Morfine: een sterk verslavend, bewustzijn verlagend middel dat uit de opiumpapaver wordt bereid.
Het middel verlicht pijn en veroorzaakt gevoelens van welbehagen.
Narcotica: geneesmiddelen die worden gebruikt voor pijnbestrijding en behandeling van
slapeloosheid en die sterk verslavend kunnen zijn.
Onthoudingssyndroom: groep symptomen die zich voordoen wanneer een afhankelijk persoon na
zwaar, langdurig gebruik van een bepaalde stof plotseling stopt met gebruiken.
Psychische afhankelijkheid: dwangmatig gebruik van een stof om in een psychologische behoefte te
voorzien.
Stimulantia: psychoactieve stoffen die de activiteit van het zenuwstelsel verhogen.
Stoornissen door een middel teweeggebracht: stoornissen zoals intoxicatie die door het gebruik van
psychoactieve stoffen kunnen worden geïnduceerd.
Tolerantie: lichamelijke gewenning aan een middel, zodanig dat bij regelmatig gebruik steeds hogere
doses nodig zijn om dezelfde effecten te bereiken.
Begrippenlijst hoofdstuk 8:
Afhankelijkheid: verminderde controle over het gebruik van een psychoactief middel, vaak
gekenmerkt door fysiologische afhankelijkheid.
Alcoholisme: afhankelijkheid van of verslaving aan alcohol die leidt tot ernstige persoonlijke, sociale,
beroepsmatige of gezondheidsproblemen.
Amfetaminen: typen stimulantia zoals Benzedrine of Dexedrine.
Amfetaminepsychose: een psychotische toestand die door het gebruik van amfetaminen wordt
veroorzaakt.
Barbituraten: kalmerende middelen die worden gebruikt om angst te verlichten of slaap op te
wekken en die zeer verslavend werken.
Cocaïne: een natuurlijk stimulerend middel dat wordt geëxtraheerd uit de bladeren van de
cocaplant. Meestal in poedervorm gesnoven.
Crack: een vaste vorm van cocaïne die meestal gerookt wordt en soms meer dan 75 procent zuiver is.
Dempend middel: een stof die de activiteit van het centraal zenuwstelsel onderdrukt.
Detoxificatie: proces waarbij het lichaam onder medische begeleiding van alcohol of drugs wordt
ontdaan.
Drugsmisbruik: het voortdurende gebruik van een psychoactief middel ondanks de wetenschap dat
dit een sociaal, beroepsmatig, psychologisch of lichamelijk probleem veroorzaakt.
Endorfine: natuurlijke stoffen die in de hersenen als neurotransmitter werken met een effect dat lijkt
op dat van morfine.
Fysiologische afhankelijkheid: een situatie waarin het lichaam van de druggebruiker afhankelijk
wordt van een voortdurende toevoer van de stof.
Hallucinogene middelen: stoffen die hallucinaties veroorzaken.
Heroïne: een bewustzijnverlagend middel dat uit morfine wordt bereid en dat sterk verslavende
eigenschappen heeft.
Intoxicatie: een toestand waarin de hersens zo zijn beïnvloed door het middel dat ze niet meer
adequaat kunnen functioneren. In bepaalde gevallen kan intoxicatie tot de dood leiden.
Marihuana: een hallucinogeen middel dat wordt bereid uit de bladeren en stengels van de plant
Cannabis sativa.
Morfine: een sterk verslavend, bewustzijn verlagend middel dat uit de opiumpapaver wordt bereid.
Het middel verlicht pijn en veroorzaakt gevoelens van welbehagen.
Narcotica: geneesmiddelen die worden gebruikt voor pijnbestrijding en behandeling van
slapeloosheid en die sterk verslavend kunnen zijn.
Onthoudingssyndroom: groep symptomen die zich voordoen wanneer een afhankelijk persoon na
zwaar, langdurig gebruik van een bepaalde stof plotseling stopt met gebruiken.
Psychische afhankelijkheid: dwangmatig gebruik van een stof om in een psychologische behoefte te
voorzien.
Stimulantia: psychoactieve stoffen die de activiteit van het zenuwstelsel verhogen.
Stoornissen door een middel teweeggebracht: stoornissen zoals intoxicatie die door het gebruik van
psychoactieve stoffen kunnen worden geïnduceerd.
Tolerantie: lichamelijke gewenning aan een middel, zodanig dat bij regelmatig gebruik steeds hogere
doses nodig zijn om dezelfde effecten te bereiken.