Aantekeningen Verlichting
● Vanaf 1650 Wetenschappelijke revolutie (vooral natuur/Beta)
● Vanaf 1700 kenmerkend aspect 27 (=verlichting)
● Absolutisme is ook in die tijd (vorsten willen alle macht)
● Amerikaanse Revolutie (1776)
● Na de Franse Revolutie wordt het absolutisme even stop gezet (1789)
○ Bij Franse Revolutie werd Trias Politica gerealiseerd
○ Volk gaat regeren
● 1799 Napoleon
● 1815 Wordt Napoleon verslagen bij de Slag bij Waterloo
● Restauratie nadat Napoleon verslagen is (1815-1830)
● Volk accepteert deze restauratie niet
● In 19e eeuw politieke stromingen
○ Confessionnalisme, nationalisme, libéralisme
● Lodewijk XIV 1643 - 1661- 17..
● Hij laat Paleis van Versaille bouwen
● Adel sliep een half jaar per jaar in het Paleis van Versaille zodat ze weg zijn uit hun
eigen gebied en het daar niet kunnen regeren.
● Absolutisme: een regeringssysteem waarbij de macht van de koning niet wordt
beperkt door een grondwet.
○ Koning beroept zich op het: ‘droit divin’ (het door god gegeven recht om te
regeren)
● De macht van de adel en steden werd beperkt zodat alle macht bij de koning kwam
● Staten Generaal werd niet meer bij elkaar geroepen
● Groot ambtenarenapparaat dat de opdrachten van de koning uitvoert (belasting
innen, rechtspraak, landbouw)
○ Want de ambtenaren waren afhankelijk van de koning en de adel niet
● De koning gaat het leger hervormen, zodat ‘ie daar ook macht over heeft
● Einde van de godsdienstvrijheid
○ Om conflicten te voorkomen
● Centralisatie van kunst en wetenschap: er kwamen Koninklijke academiën
● Rousseau: als je geboren wordt krijg je rechten van de ‘natuur’ (=Natuurrechten)
○ Bv. recht op leven, recht op vrijheid en recht op bezit
● Standenmaatschappij was voor ancien regime
● Onafhankelijksoorlog 1776 -1783
● De Burgeroorlog 1861 - 1865, noordelijkes taten winnen (union states)
● Franse Revolutie 1789 (Frankrijk)
, Tijdlijn Franse Revolutie
● 1700-1800 verlichting
● 1789-1799 Franse revolutie → ancien régime -- absolutisme
● 1800-1815 Napoleon aan de macht → tot slag van Waterloo
● 1814/1815 Congres van Wenen
● Na 1815 Restauratie → terug naar periode voor Franse Revolutie → volk vindt dit
niet fijn
● 1830 -1848 Reductie jaren
● 1848 Grondwet van Thorbecke
○ Want Willem … was bang voor het volk n.a.v. wat er met Lodewijk was
gebeurt
● Kiesrecht voor alleen de rijke: censuskiesrecht
Socialisme
● Betekenis: sociaal
● Uitgangspunt:
○ Opkomen voor de onderdrukten (arbeiders)
○ Gelijkheid
○ Omverwerping van het kapitalisme (economisch systeem gericht op winst
maken)
○ Internationale solidariteit (proletariërs aller landen, verenigt U’)
■ Proletariër: kinder bezitter
● Ontstaan:
○ tijdens de industriële revolutie
■ Veel fabrieksarbeiders met slechte loon, slechte leef- en
arbeidsomstandigheden, gevaarlijk werk, kinderarbeid
● Eigenaren: zijn rijk
○ Hebben de opbrengst van de productiemiddelen (fabrieken, machines,
grondstoffen, kapitaal)
● Een aantal denkers in de 19e eeuw vonden dat:
○ Het anders moest
○ Er een nieuw/eerlijker systeem moest komen
● Karl Marx 1818-1883 (Duitse jood)
● Marx
○ In de geschiedenis is er altijd sprake geweest tussen de heersende klasse en
de onderdrukte klasse
■ Klasse hoort bij deze stroming!
● Oudheid: Patriciërs > proletariërs
● Middeleeuwen: Adel > horigen
● 19e eeuw: Bourgeoisie > proletariërs
●
○ Marx noemt dit de klassenstrijd
○ Als gevolg van de steeds slechter wordende leefomstandigheden van het
proletariaat (arbeiders) zal de onderdrukte klasse op één moment de revolutie
uitvoeren. (Verehlendung)
● Vanaf 1650 Wetenschappelijke revolutie (vooral natuur/Beta)
● Vanaf 1700 kenmerkend aspect 27 (=verlichting)
● Absolutisme is ook in die tijd (vorsten willen alle macht)
● Amerikaanse Revolutie (1776)
● Na de Franse Revolutie wordt het absolutisme even stop gezet (1789)
○ Bij Franse Revolutie werd Trias Politica gerealiseerd
○ Volk gaat regeren
● 1799 Napoleon
● 1815 Wordt Napoleon verslagen bij de Slag bij Waterloo
● Restauratie nadat Napoleon verslagen is (1815-1830)
● Volk accepteert deze restauratie niet
● In 19e eeuw politieke stromingen
○ Confessionnalisme, nationalisme, libéralisme
● Lodewijk XIV 1643 - 1661- 17..
● Hij laat Paleis van Versaille bouwen
● Adel sliep een half jaar per jaar in het Paleis van Versaille zodat ze weg zijn uit hun
eigen gebied en het daar niet kunnen regeren.
● Absolutisme: een regeringssysteem waarbij de macht van de koning niet wordt
beperkt door een grondwet.
○ Koning beroept zich op het: ‘droit divin’ (het door god gegeven recht om te
regeren)
● De macht van de adel en steden werd beperkt zodat alle macht bij de koning kwam
● Staten Generaal werd niet meer bij elkaar geroepen
● Groot ambtenarenapparaat dat de opdrachten van de koning uitvoert (belasting
innen, rechtspraak, landbouw)
○ Want de ambtenaren waren afhankelijk van de koning en de adel niet
● De koning gaat het leger hervormen, zodat ‘ie daar ook macht over heeft
● Einde van de godsdienstvrijheid
○ Om conflicten te voorkomen
● Centralisatie van kunst en wetenschap: er kwamen Koninklijke academiën
● Rousseau: als je geboren wordt krijg je rechten van de ‘natuur’ (=Natuurrechten)
○ Bv. recht op leven, recht op vrijheid en recht op bezit
● Standenmaatschappij was voor ancien regime
● Onafhankelijksoorlog 1776 -1783
● De Burgeroorlog 1861 - 1865, noordelijkes taten winnen (union states)
● Franse Revolutie 1789 (Frankrijk)
, Tijdlijn Franse Revolutie
● 1700-1800 verlichting
● 1789-1799 Franse revolutie → ancien régime -- absolutisme
● 1800-1815 Napoleon aan de macht → tot slag van Waterloo
● 1814/1815 Congres van Wenen
● Na 1815 Restauratie → terug naar periode voor Franse Revolutie → volk vindt dit
niet fijn
● 1830 -1848 Reductie jaren
● 1848 Grondwet van Thorbecke
○ Want Willem … was bang voor het volk n.a.v. wat er met Lodewijk was
gebeurt
● Kiesrecht voor alleen de rijke: censuskiesrecht
Socialisme
● Betekenis: sociaal
● Uitgangspunt:
○ Opkomen voor de onderdrukten (arbeiders)
○ Gelijkheid
○ Omverwerping van het kapitalisme (economisch systeem gericht op winst
maken)
○ Internationale solidariteit (proletariërs aller landen, verenigt U’)
■ Proletariër: kinder bezitter
● Ontstaan:
○ tijdens de industriële revolutie
■ Veel fabrieksarbeiders met slechte loon, slechte leef- en
arbeidsomstandigheden, gevaarlijk werk, kinderarbeid
● Eigenaren: zijn rijk
○ Hebben de opbrengst van de productiemiddelen (fabrieken, machines,
grondstoffen, kapitaal)
● Een aantal denkers in de 19e eeuw vonden dat:
○ Het anders moest
○ Er een nieuw/eerlijker systeem moest komen
● Karl Marx 1818-1883 (Duitse jood)
● Marx
○ In de geschiedenis is er altijd sprake geweest tussen de heersende klasse en
de onderdrukte klasse
■ Klasse hoort bij deze stroming!
● Oudheid: Patriciërs > proletariërs
● Middeleeuwen: Adel > horigen
● 19e eeuw: Bourgeoisie > proletariërs
●
○ Marx noemt dit de klassenstrijd
○ Als gevolg van de steeds slechter wordende leefomstandigheden van het
proletariaat (arbeiders) zal de onderdrukte klasse op één moment de revolutie
uitvoeren. (Verehlendung)