4.3 Vakdidactiek
Bij natuuronderwijs werk je met concrete materialen; planten, dieren en dingen uit de natuur. Als je
daaraan door kinderen onderzoek wilt laten doen moet je onderzoeksvragen gebruiken, vragen
waarop het antwoord alleen maar door middel van onderzoek en observatie te vinden is. Dit zijn
operationele vragen. Een operationele vraag geeft aan wat er met het materiaal zelf gedaan moet
worden om een antwoord te krijgen op die vraag.
Operationele vragen zijn onder te verdelen in verschillende categorieën:
1. Waarnemings- en vergelijkingsvragen
2. Meetvragen (kwantificeren)
3. Wat gebeurt er als… - vragen (en kun je dat ook voorspellen
4. Hoe kun je ……-vragen
1 Bij zulke vragen gaat het om het doen van waarnemingen met behulp van zo veel mogelijk
zintuigen. Hierbij kan je ook dingen met elkaar vergelijken. Vergelijkingsvragen dwingen ook tot
nauwkeurig waarnemen, omdat je de aandacht moet richten op overeenkomsten en verschillen. Aan
de hand van verschillen en overeenkomsten kunnen dingen worden geordend en geclassificeerd.
2 de waarnemingen en vergelijkingen kunnen ook worden gekwantificeerd in de vorm van tel- en
meetvragen. Dit soort vragen leveren objectieve, eenvoudige controleerbare resultaten op. Je kunt
ook kwantitatieve vergelijkingsvragen. Welke bloem heeft er meer meeldraden? Hoeveel heeft die er
meer?
Meetvragen zijn ook handig om meetvaardigheden aan te leren.
Waarnemings- en vergelijksvragen leiden tot bepaalde acties en vaardigheden. Dit is te zien de tabel
hieronder:
Wat Leidt tot
Kwalitatieve waarnemingsvragen Acties
Wat zie je, voel je, welke vorm, welk geluid Kijken, ruiken, voelen, betasten, proeven
Kwantitatieve waarnemingsvragen Acties
Hoe zwaar, lang, lange tijd, ver, dik Meten van lengte, tijd, groei, gewicht
Kwalitatieve vergelijkingsvragen Acties
Wat is er anders, gelijk, wat is het beste? Sorteren, rubriceren, determineren
Kwantitatieve vergelijkingsvragen Acties
Hoeveel meer/minder, hoe lang, warm diep Meten, tellen, schatten
3 Met dit soort vragen wordt er onderzocht wat er dan vervolgens gebeurt. Met dit soort vragen kun
je ook experimentjes opzetten. Het is belangrijk dat de leerlingen vooraf proberen te voorspellen
wat het resultaat kan zijn en dan pas de proef gaan uitproberen.
4 Dit soort vragen vergt van de leerling dat hij vooruit kan denken en kan voorspellen wat er mogelijk
zou kunnen gebeuren. Bij deze vragen moeten de leerlingen al wat meer ervaring hebben met het
doen van onderzoeken. Je geeft het resultaat en de leerlingen moeten onderzoeken hoe dat
resultaat tot stand is gekomen. Ze moeten dus doelgericht op zoek gaan naar mogelijke oorzaken.
4.3.2 Observatiekring
Bij de werkvorm observatiekring is de hele groep onder leiding van de leerkacht bezig met hetzelfde
materiaal. Zorgt ervoor dat alle leerligne het goed knnen zien. speel in op de reacties van leerlingen
en nodig ze uit verder te denken. De observatiekring is vooral geschikt om met weinig materiaal met