en hanteerbaarheid ➔ J
28. De mate van spreiding van testuitkomsten geeft een indicatie over de betrouwbaarheid van
een meting. ➔ J
29. Het gestandaardiseerd uitvoeren van een diagnostische test verhoogt de validiteit van deze
test.
30. Gegevens over de mate van specificiteit van een test betreffen de mate van ‘gevoeligheid’
van die test. ➔ O (Wel sensitiviteit betreft de mate van gevoeligheid)
31. Gegevens over de mate van sensitiviteit van een test betreffen het percentage van een
aantal personen met een bepaalde aandoening die door de test terecht als positief zijn
gescoord. ➔ J
32. De positief voorspellende waarde van een test betreft de kans dat personen met een
negatieve testuitslag de aandoening daadwerkelijk niet hebben. ➔ O
33. De begrippen sensitiviteit en positief voorspellende waarde zijn synoniemen. ➔ J
34. De negatief voorspellende waarde van een diagnostische test valt onder het
kwaliteitscriterium validiteit. ➔ J
35. Een niet-valide test is per definitie niet betrouwbaar. ➔ O
36. Gegevens over de mate van specificiteit van een test betreffen het percentage van een
aantal personen met een bepaalde aandoening die door de test terecht als positief zijn
gescoord. ➔ O (die terecht als negatief zijn gescoord)
37. Inter-beoordelaarsbetrouwbaarheid is de mate van betrouwbaarheid tussen twee of
meerdere onderzoekers. ➔ O (De interbeoordelaarsbetrouwbaarheid is de betrouwbaarheid
van de resultaten van een test, die door twee of meerdere beoordelaars is beoordeeld)
1