H1 t/m H13
H3: Balans, winst-en-verliesrekening en liquiditeit
3.1 Beginbalans
Elke onderneming heeft bezittingen nodig: kapitaalgoederen (bv auto’s, machines en voorraden).
Om deze kapitaalgoederen te financieren, heeft een onderneming vermogen nodig. Dit kan de
eigenaar zelf inbrengen: eigen vermogen. Een ander kan ook een deel van het benodigde vermogen
beschikbaar stellen: vreemd vermogen (schulden). De balans geeft een overzicht van deze
bezittingen (activa/ debet) en het eigen en vreemd vermogen (passiva/ credit) op een bepaald
moment.
Aan de debetkant zetten we eerst de balansposten van de kapitaalgoederen die meer dan 1
productieproces/ jaar meegaan: de vaste activa.
Vervolgens komen de vlottende activa: kapitaalgoederen die maar 1 productieproces of minder dan
1 jaar meegaan. Ze zijn makkelijk in geld om te zetten.
Als laatste komen de liquide middelen: de middelen waarmee we kunnen betalen (bv bank en kas).
Ze zijn een onderdeel van de vlottende activa, maar we noemen ze apart.
Aan de creditkant staat bovenaan het eigen vermogen: het permanent vermogen. Het is blijvend
beschikbaar voor de onderneming, er hoeft niet op te worden afgelost.
Hierna volgt het lang vreemd vermogen, vreemd vermogen met een looptijd van langer dan een jaar.
Als laatste komt het kort vreemd vermogen, met een looptijd tot een jaar (bv crediteuren).
Kenmerken vreemd vermogen:
- Het moet worden terugbetaald (afgelost);
- Het leidt tot het betalen van rente (interest);
- Het is altijd tijdelijk vermogen: de tijdsduur waarvoor het vermogen beschikbaar wordt gesteld, kan
uiteenlopen van enkele dagen tot veel jaren.
Als je schuld aan de bank hebt, is er sprake van een bankkrediet/ een rekening-courantkrediet. De
onderneming en bank spreken af tot welk bedrag het maximaal rood mag staan: het kredietplafond.
Aan de debetkant zie je hoe het vermogen in de onderneming is geïnvesteerd (wat er is gekocht).
Aan de creditkant zie je hoe de onderneming het benodigde vermogen heeft gekregen.
3.2 Veranderingen balansposten
Een crediteur: een leverancier aan wie je een schuld hebt omdat je bij hem goederen op rekening
hebt gekocht.
Debiteuren: afnemers op wie je een vordering hebt omdat je goederen op rekening hebt verkocht.
Toename eigen vermogen: nettowinst.
3.3 Samenstellen winst-en-verliesrekening
Een winst-en-verliesrekening: een overzicht vd kosten (inkoopprijs omzet, loonkosten, huurkosten
en afschrijvingskosten) en opbrengsten (omzet) van een onderneming over een bepaalde periode.
Als de opstelling van de winst-en-verliesrekening in scontrovorm is, heeft het een debet- en
creditkant. In paginavorm staan de opbrengsten en kosten onder elkaar.
,Je maakt pas kosten bij inkoopwaarde omzet, als ze daadwerkelijk verkocht worden.
3.4 Balans, winst-en-verliesrekening en liquiditeit
In de liquiditeitsbegroting maken we een overzicht vd verwachte ontvangsten en uitgaven.
Onthouddingen:
- Als je bankschuld of banktegoed hebt, noteer je ‘bank’ op de balans.
- Diverse kosten: kas/ bank -€1000 - eigen vermogen -€1000.
, H5: Verzekeren, studeren, sparen en lenen
Verzekeringsbreuk
Het schadebedrag: de waarde van de goederen die verloren zijn gegaan.
De gezonde waarde: de waarde van alle verzekerde goederen op het moment net voordat de schade
ontstaat.
De verzekerde som: de waarde waarvoor alle goederen zijn verzekerd.
Verzekeringsbreuk = verzekerde som/ gezonde waarde.
Schade – uitkering = verzekeringsbreuk × schadebedrag.
Als de verzekeringsbreuk groter is dan 1, dan rondt de verzekeringsmaatschappij hem af op 1. Anders
zou de schade-uitkering groter zijn dan het schadebedrag.
Begrippen
5.1 Soorten verzekeringen
- Verzekering: bij een verzekering verplicht de verzekeraar zich om tegen ontvangst van een premie
de verzekerde schadeloos te stellen wegens een verlies, schade, of gemis van verwacht voordeel
door een onzeker voordeel.
- Schadeverzekering: verzekering waarbij de uitkering door de verzekeraar afhankelijk is van de
geleden schade.
- Sommenverzekering: verzekering waarbij de uitkering door de verzekeraar afhankelijk is van het
moment dat verband houdt met het leven of sterven van een bepaalde persoon.
- Polis: akte waarin de verzekeringsovereenkomst wordt opgenomen.
- Verzekerde som: maximumbedrag dat de verzekeraar uitkeert.
5.2 Schadeverzekeringen en -regelingen
- Brandverzekering: verzekering tegen de schade ontstaan door brand.
- Transportverzekering: verzekering tegen de schade ontstaan tijdens het transport van goederen.
- Imaginaire winst: te verwachten winst op goederen, die verloren gaat als de goederen door schade
waardeloos worden.
- Bedrijfsschadeverzekering: verzekering tegen de schade ontstaan door tijdelijke stilstand van een
bedrijf door brand, stormschade etc.
- Kredietverzekering: verzekering tegen de schade ontstaan door het niet kunnen innen van
uitstaande vorderingen.
- Kredietlimiet: maximum kredietbedrag waarvoor de kredietverzekeraar garant staat.
- Exportkredietverzekering: verzekering tegen de schade door het niet kunnen innen van uitstaande
vorderingen bij afnemers in het buitenland.
- Commercieel risico bij exportkredietverzekering: risico voor een onderneming/exporteur dat de
onderneming/importeur niet betaalt door de schuld van de onderneming/importeur.
- Politiek risico bij exportkredietverzekering: risico voor een onderneming/exporteur dat de
onderneming/importeur niet betaalt door de schuld van de overheid in het importland.
- Herverzekeren: het opnieuw geheel of gedeeltelijk verzekeren van een door een verzekeraar
afgesloten verzekering.
- Productaansprakelijkheidsverzekering: verzekering tegen de schade die kan ontstaan door het
gebruik van een bepaald product.
- Wettelijke aansprakelijkheidsverzekering: verzekering tegen de schade die een persoon kan
toebrengen aan een andere persoon of een zaak van een andere persoon.
- Rechtsbijstandverzekering: verzekering waarbij de verzekeraar een persoon of een onderneming