Literatuur: Furr & Bacharach (2e editie).
Hoofdstuk 1.
Psychometrics and the Importance of Psychological Measurement.
Inleiding. Dit boek beschrijft hoe we kunnen bepalen of toets scores psychologisch
betekenisvol en belangrijk zijn. Ook zijn de princiepen en concepten die in dit boek
besproken gaan worden belangrijk voor het ontwikkelen van testen die psychologisch
betekenisvol en betrouwbaar zijn. Deze princiepen en concepten staan beter bekend als
‘psychometrics’.
Welk werk je uiteindelijk ook zal gaan uitvoeren, het omvat hoogstwaarschijnlijk
beslissingen die zijn gebaseerd op scores die verkregen zijn met een of andere psychologische
test. Zonder -in elk geval een basis- begrijpen van psychologische meetmethoden, loop je het
gevaar om informatie die afkomistig is van dit soort testen verkeerd te interpreteren of te
misbruiken. Verder is het zo dat wanneer je bijvoorbeeld gedrag gaat bestuderen, het gedrag
geen enkele validiteitswaarde bezit wanneer het gedrag niet goed (of helemaal niet) gemeten
wordt. En zelfs als je een carrière najaagt die niets te maken heeft met psychologische
meetinstrumenten, dan nog heb je altijd te maken met de gevolgen ervan (zij het direct, zij het
indirect). Bijv. wanneer je wordt aangenomen (of niet) op basis van een persoonlijkheidstest.
Vanwege het wereldwijde gebruik en de belangrijkheid van psychologische meting, is
het cruciaal op de eigenschappen te begrijpen die de kwaliteit van dit soort metingen
beïnvloeden. Dit boek gaat dan ook over de belangrijke eigenschappen van de
meetinstrumenten die psychologen gebruiken om psychologische eigenschappen te meten en
te verwerken.
Wel of niet te observeren gedrag. In de meeste gevallen -dus niet alle gevallen- ontwikkelen
psychologen psychologische testen als middel om gedrag te onderzoeken waarvan zij denken
dat het gevoelig is en verbonden staat met een bepaalde psychologische eigenschap (bijv. de
grootte van het werkgeheugen is niet te observeren. Om toch een idee te krijgen, kunnen er
gedragingen en eigenschappen gemeten worden waarvan mensen denken dat ze samenhangen
met dat niet te observeren gedrag -in dit geval bijv. het nazeggen van een reeks getallen). Dit
alles vereist dus dat psychologen gevolgtrekkingen maken. In het voorgaande voorbeeld zijn
die dingen belangrijk, namelijk:
1. Er is een gevolgtrekking gedaan van een observeerbare gedraging naar een niet te
observeren, psychologische eigenschap (doen van afleidingen en gevolgtrekking).
2. Om het nazeggen van getallen als valide te beschouwen, moet de taak theoretisch
gelinkt zijn geweest aan het werkgeheugen (voortbouwen op theoretische kennis).
3. Het feit dat ‘werkgeheugen’ een theoretisch concept is: er wordt gebruik gemaakt van
een hypothetic construct (of latent variables). De operaties en processen die
gebruikt worden om deze hypothetische constructen te meten, worden operational
definitions genoemd (in het voorbeeld wordt cijfer recall gebruikt als operationele
definitie om een bepaald aspect van het werkgeheugen te meten -welke op zichzelf
een niet te observeren hypothetisch construct is).
1