Duits samenvatting grammatica
H3 en H4
Het sterke werkwoord
Een sterk werkwoord is een werkwoord dat van klank verandert.
Tegenwoordige tijd: gebruik (fe)esttenten.
Werkwoorden met een a in de stam krijgen bij du en er/sie/es/man een umlaut.
Werkwoorden met een e in de stam verandert in een i bij een korte e (essen) en in een ie bij een
lange e (lesen).
Uitzonderingen: du gibst, er gibt - du nimmst, er nimmt - du trittst, er tritt - du gehtst/stehtst
Keuzevoorzetsels
An (aan, bij, op), auf (op), hinter (achter), neben (naast), in (in, naar), über (boven, over), unter
(onder), vor (voor), zwischen (tussen).
Je gebruikt de derde naamval:
- als het een rust uitdrukt (als je je ergens bevindt);
- als er een tijdsbepaling is.
Je gebruikt de vierde naamval als het een beweging uitdrukt.
Als dit alles niet het geval is, dan zijn an, hinter, neben, in, unter, vor, zwischen in de derde naamval
en auf en über in de vierde naamval.
De vertaling van ‘naar‘
Zu:
- bij personen;
- voor zaaknamen met een bepalend lidwoord ervoor.
Nach:
- bij richtingen (nach Hause/ links/ oben/ vorne/ Norden);
- bij geografische namen zonder bepalend lidwoord;
- Als ‘naar‘ geen richting uitdrukt.
In:
- bij geografische namen met bepalend lidwoord;
- bij vaste uitdrukkingen (Theater/ Konzert/ Kino/ Schwimmbad/ Bett/ Ausland/ die Niederlande).
Het bijvoeglijk naamwoord
De uitgang is afhankelijk van:
1. Het woord dat eraan voorafgaat (der-, ein- of nichts-Gruppe);
2. De naamval;
3. Het geslacht (m, v, o of mv).
Bij de der-Gruppe horen der, die, das, dies-, jen-, jed-, manch-, solch-, welch-, all-.
m v o mv
1e (Nominativ) der reiche die reiche das reiche die reichen
3e (Dativ) dem reichen der reichen dem reichen den reichen, …n
4e (Akkusativ) den reichen die reiche das reiche die reichen
H3 en H4
Het sterke werkwoord
Een sterk werkwoord is een werkwoord dat van klank verandert.
Tegenwoordige tijd: gebruik (fe)esttenten.
Werkwoorden met een a in de stam krijgen bij du en er/sie/es/man een umlaut.
Werkwoorden met een e in de stam verandert in een i bij een korte e (essen) en in een ie bij een
lange e (lesen).
Uitzonderingen: du gibst, er gibt - du nimmst, er nimmt - du trittst, er tritt - du gehtst/stehtst
Keuzevoorzetsels
An (aan, bij, op), auf (op), hinter (achter), neben (naast), in (in, naar), über (boven, over), unter
(onder), vor (voor), zwischen (tussen).
Je gebruikt de derde naamval:
- als het een rust uitdrukt (als je je ergens bevindt);
- als er een tijdsbepaling is.
Je gebruikt de vierde naamval als het een beweging uitdrukt.
Als dit alles niet het geval is, dan zijn an, hinter, neben, in, unter, vor, zwischen in de derde naamval
en auf en über in de vierde naamval.
De vertaling van ‘naar‘
Zu:
- bij personen;
- voor zaaknamen met een bepalend lidwoord ervoor.
Nach:
- bij richtingen (nach Hause/ links/ oben/ vorne/ Norden);
- bij geografische namen zonder bepalend lidwoord;
- Als ‘naar‘ geen richting uitdrukt.
In:
- bij geografische namen met bepalend lidwoord;
- bij vaste uitdrukkingen (Theater/ Konzert/ Kino/ Schwimmbad/ Bett/ Ausland/ die Niederlande).
Het bijvoeglijk naamwoord
De uitgang is afhankelijk van:
1. Het woord dat eraan voorafgaat (der-, ein- of nichts-Gruppe);
2. De naamval;
3. Het geslacht (m, v, o of mv).
Bij de der-Gruppe horen der, die, das, dies-, jen-, jed-, manch-, solch-, welch-, all-.
m v o mv
1e (Nominativ) der reiche die reiche das reiche die reichen
3e (Dativ) dem reichen der reichen dem reichen den reichen, …n
4e (Akkusativ) den reichen die reiche das reiche die reichen