Richtlijn COPD.
A – Inleiding
De voorspellende factoren voor mortaliteit bij COPD zijn leeftijd, eensecondewaarde (forced expiratory volume
in one second, FEV1), roken, hypoxemie, chronische mucushypersecretie, kortademigheid, afgenomen
inspanningscapaciteit, een afname van dagelijkse fysieke activiteiten, afgenomen spiermassa en spierkracht,
lage body mass index (BMI) en excessief gewichtsverlies.
B – Verwijzing en rechtstreekse toegankelijkheid
Bij patiënten met stadium GOLD I en GOLD II zonder functionele beperkingen (MRC < 2), die verder
medicamenteus goed zijn ingesteld, kan de diagnostiek en eventuele behandeling worden ingezet.
In andere gevallen, de patiënt heeft GOLD-stadium II met functionele beperkingen (MRC ≥ 2) of GOLD-stadium
III of IV, of wanneer het GOLD-stadium niet bekend is, of de conclusie na screening is ‘niet-pluis’, wordt contact
opgenomen met de huisarts of specialist.
Patiënten met een mild tot matige aandoening (GOLD 1 en 2) en lichte achteruitgang van de
inspanningscapaciteit (MRC-dyspneu < 2) kunnen worden betrokken bij regelmatige sportactiviteiten.
Patiënten in een meer gevorderd stadium van de ziekte (GOLD 3 en 4) moeten worden gezien door een
longarts voor verdere multidisciplinaire evaluatie en behandeling.
Patiënten met een milde aandoening die echter een ernstig verminderde functionele capaciteit (MRC-dyspneu
≥ 2) of verhoogd risico op een cardiovasculaire aandoeningen (leeftijd roken, lage fysieke activiteit) laten zien,
moeten een formele inspanningsevaluatie ondergaan om de afgenomen inspanningscapaciteit verder te
analyseren en om de veiligheid tijdens training te waarborgen.
C – Diagnose
Het klinisch onderzoek focust op inspanningsvermogen, spierkracht, kortademigheid en op mucusretentie en -
transport.
Klinisch onderzoek van patiënten met kortademigheid, verminderde fysieke activiteit en afgenomen
inspanningsvermogen bestaat uit klinische inspectie (bewegingssnelheid, geleverde inspanning,
kortademigheid, gebruik van rollator, voorover leunen, cyanose, spierartrofie, perifere oefemen), evaluatie van
borstkasconfiguratie (hyperinflatie, deformiteiten) en de adembeweging (ademfrequentie, paradoxale
thoracoabdominale bewegingen in rust en tijdens inspanning, activiteit van de hulpademhalingsspieren,
activiteit van de buikspieren.
Klinisch onderzoek van patiënten met mucusretentie evalueert de hoest- en huftechnieken en de kwaliteit en
kwantiteit van het mucus. Parameters die worden geëvalueerd om de effectiviteit van de hoest na te gaan, zijn
het inspiratoire volume, de expiratoire (buik)spiercontractie en het al dan niet optreden van luchtwegcollaps of
(thoracale) pijn tijdens het hoesten. De aanwezigheid van mucusretentie wordt geëvalueerd door te luisteren
naar de ademgeluiden (auscultatie) en door palpatie van de borstkas. Bovendien wordt de hoeveelheid, de
kleur en de samenstelling van opgehoest mucus onderzocht.
De meest voorkomende behandeldoelstellingen voor fysiotherapeutische interventies zijn:
1. Verminderen van de kortademigheid;
2. Verbeteren van het inspanningsvermogen en de fysieke activiteit;
3. Verbeteren van de mucusklaring;
4. Verbeteren van de kennis, het zelfmanagement en het vertrouwen om dingen te kunnen uitvoeren.
, D – Aanbevelingen voor de behandeling