Module 10: voeding en vertering
lichaam haalt bouwstoffen & voedingsstoffen uit lichaam
● koolhydraten
○ bouwstof, brandstof en reservestof
○ monosachardiden (glucose, fructose, galactose, deoxyribose)
■ fructose & galactose in lever omgezet → glucose (levert
energie aan cellen)
○ disachariden (lactose, maltose, sucrose) → in darmkanaal gesplitst
tot monosachariden door hydrolysereactie van enzymen
○ polysachariden (amylose & amylopectine, cellulose (niet verteerbaar voor
mens + stimuleert darmperistaltiek), glycogeen(in dieren: energieopslag in
spieren &lever))
■ oligosachardiden 3<glucose eenheden<9
■ polisachardiden >9 glucose eenheden
● glycosidebinding bepaalt welke sacharide
● vetten: glycerol + 3 vetzuren
○ hoe langer het molecuul, des te hoger is het smeltpunt
○ verzadigd: enkele bindingen (slecht)
○ onverzadigd: dubbele bindingen (goed)
○ opbouwstof voor andere vetten (fosfo- & glycolipiden → opbouw
celmembraan)
○ cholesterol → bewegelijk/ vloeibaar houden van celmembraan
■ grondstof voor andere steroïden (hormonen)
○ Niet oplosbaar in bloedplasma
■ worden vervoerd door lipoproteïnen (LDL/ HDL)
● combinatie vet & eiwit
● enkele laag fosfolipiden
● bevat vetten & cholesterol
○ Indien vetten worden afgebroken tot glycerol & vetzuren daalt de pH
■ als er gebruik wordt gemaakt van een indicator, moet deze het
omslagpunt betreffen, van de pH van het verteringssap en lager
Experiment effectiviteit gal aantonen
● buis 1: melk, alvleessap (hoge pH), gal } alle stoffen in dezelfde concentraties
● buis 2: melk, alvleessap (hoge pH), water }
● voeg evenveel indicator toe
● de pH van buizen wordt gelijk gemaakt tot juist voorbij het omslagtraject van de
gekozen indicator door toevoeging NaOH (verhoogt pH)
● tijd bijhouden
● eiwitten: keten van aminozuren → in verteringsstelsel eiwit afgebroken tot
aminozuur
○ 20 verschillende restgroepen (carbonzuurgroep + restgroep +aminogroep)
○ gebonden door peptidebinding → condensatie aminogroep &
carbonzuurgroep)
○ lever zet sommige aminozuren om in andere aminozuren (transamineren)
■ essentieel aminozuur: moet via voeding in het lichaam komen
lichaam haalt bouwstoffen & voedingsstoffen uit lichaam
● koolhydraten
○ bouwstof, brandstof en reservestof
○ monosachardiden (glucose, fructose, galactose, deoxyribose)
■ fructose & galactose in lever omgezet → glucose (levert
energie aan cellen)
○ disachariden (lactose, maltose, sucrose) → in darmkanaal gesplitst
tot monosachariden door hydrolysereactie van enzymen
○ polysachariden (amylose & amylopectine, cellulose (niet verteerbaar voor
mens + stimuleert darmperistaltiek), glycogeen(in dieren: energieopslag in
spieren &lever))
■ oligosachardiden 3<glucose eenheden<9
■ polisachardiden >9 glucose eenheden
● glycosidebinding bepaalt welke sacharide
● vetten: glycerol + 3 vetzuren
○ hoe langer het molecuul, des te hoger is het smeltpunt
○ verzadigd: enkele bindingen (slecht)
○ onverzadigd: dubbele bindingen (goed)
○ opbouwstof voor andere vetten (fosfo- & glycolipiden → opbouw
celmembraan)
○ cholesterol → bewegelijk/ vloeibaar houden van celmembraan
■ grondstof voor andere steroïden (hormonen)
○ Niet oplosbaar in bloedplasma
■ worden vervoerd door lipoproteïnen (LDL/ HDL)
● combinatie vet & eiwit
● enkele laag fosfolipiden
● bevat vetten & cholesterol
○ Indien vetten worden afgebroken tot glycerol & vetzuren daalt de pH
■ als er gebruik wordt gemaakt van een indicator, moet deze het
omslagpunt betreffen, van de pH van het verteringssap en lager
Experiment effectiviteit gal aantonen
● buis 1: melk, alvleessap (hoge pH), gal } alle stoffen in dezelfde concentraties
● buis 2: melk, alvleessap (hoge pH), water }
● voeg evenveel indicator toe
● de pH van buizen wordt gelijk gemaakt tot juist voorbij het omslagtraject van de
gekozen indicator door toevoeging NaOH (verhoogt pH)
● tijd bijhouden
● eiwitten: keten van aminozuren → in verteringsstelsel eiwit afgebroken tot
aminozuur
○ 20 verschillende restgroepen (carbonzuurgroep + restgroep +aminogroep)
○ gebonden door peptidebinding → condensatie aminogroep &
carbonzuurgroep)
○ lever zet sommige aminozuren om in andere aminozuren (transamineren)
■ essentieel aminozuur: moet via voeding in het lichaam komen