HC 1-2 Electrische activiteit hart
Weinig kalium= verlamming
Hyperkalium= spieraanspanning heftig
Voor bioelektriciteit zijn heel veel ionen belangrijk.
Hart zit in thorax. Twee boezems daar komt bloed het hart binnen en de
kamers aan de onderkant en die pompen het bloed. Het hart is aangesloten
aan de pulmonaire circulatie en systemische circulatie. In het aanvoerende
deel van de circulatie is de druk hoog (aderen naar longen en organen). In
de venen bij het afvoerende deel is de druk laag. In de long wordt er
zuurstof toegevoegd aan het bloed en bij de organen wordt het zuurstof
onttrokken. Het hart pompt continue het bloed rond in een bepaald ritme.
Totaal bloedvolume van ongeveer 5L maar bij elke slag wordt er maar 70ml
bloed rondgepompt. In een minuut in rust pomp je ongeveer die 5L rond.
Bij inspanning verandert dit en gaat het omhoog.
Functionele hartcyclus
Diastole: tussen twee pompen in; de rustfase
Aan het einde van de diastole is het hart
ontspannen en bloed loopt in de atria.
Kamers spannen zich aan, kleppen gaan dicht
en de druk neemt toe. Nog meer druk
opbouwen met isovolumetrische contractie.
Druk wordt groter dan in aorta of pulmonaire
arterie en dan gaan kleppen open en dan
gaat bloed richting de longen of organen.
Impuls vorming en geleiding in het hart
Het samentrekkingsproces van het hart
wordt gestuurd door elektrische prikkel. Eerst prikkel, dan contractie. Dit heet
excitatie=contractie koppeling.
Het hart is een pomp. Het begint met elektrische activatie en daarna wordt er bloed
rondgepompt en daarbij hoge druk in slagaders en lagere druk in de aders.
Neurale actiepotentiaal
Actiepotentiaal van zenuwcel. Tijdelijke verandering van
membraanpotentiaal. Vrij negatieve potentiaal (-70mV)
plotseling naar positieve potentiaal en dan terug. Eerst
depolarisatie: negatief wordt positief. Repolarisatie waarbij
oorspronkelijke potentiaal weer hersteld wordt.
Absoluut refractaire periode: niet nog een ap uit zenuwcel
krijgen.
1