Hoofdstuk 4 De sociaal-leertheoretische benadering
4.1 Inleiding
Bij Rogers ligt de nadruk op het groeien en niet op het leren. In de cognitieve theorie van Wexler gaat
het erom anders te leren denken. Maar mensen moeten vaak ook leren zich anders te gedragen. De
theorie van het sociaal-leren levert vooral nuttige informatie over de leerprocessen bij het
veranderen van het denken en het doen. De persoon wordt beschreven als een lerend wezen dat
door zijn omgeving wordt beïnvloed, maar ook zelf zijn omgeving vormgeeft.
4.2 Kijk op de persoon
4.2.1 persoon, omgeving, gedrag
De theorie van het sociaal-leren beschrijft de mens als een wezen met een groot potentieel aan
mogelijkheden tot ontwikkeling. Mogelijkheden die binnen biologisch bepaalde grenzen – de aanleg
– in een ingewikkelde wisselwerking met invloeden uit de omgeving de ontwikkeling van de persoon
bepalen.
De ‘driehoek’ van Bandura:
P
G O
De persoon (P) beïnvloedt en wordt beïnvloed door zijn omgeving (O) en zijn gedrag (G). Ook tussen
G en O bestaat een dergelijke wisselwerking.
Persoon (P): de verzameling van eigenschappen, stijlen van denken en doen en andere
persoonlijke kenmerken.
Bijv. sekse, burgerlijke staat, ras, religie, opleiding, haarkleur, reactiesnelheid,
intellectuele capaciteiten etc.
Gedrag (G): het actuele, waarneembare gedrag in diverse situaties.
Omgeving (O): een veelheid van situaties, al of niet bestaande uit andere personen die gewild of
ongewild invloed hebben op P en G.
(P -> G) personalistische benaderingswijze (Roger kwam met zijn groeitheorie dichtbij).
(O -> G) klassiek-behavioristische benadering van de mens.
Formule Lewin:
G=F(P,O)
Gedrag als functie van de wisselwerking tussen person en omgeving.
Wat leren we van de sociaal-leertheoretische optiek?
Het menselijk functioneren moet vanuit verschillende perspectieven worden benaderd, willen we er
iets van begrijpen.