Economisch beleid
Hoofdstuk 1
Prijsstabiliteit: jaarlijkse inflatie tussen 0 – 2%
1) Inflatie > 2% -> rente ⇧ -> leningen ⇩; sparen ⇧ -> bestedingen ⇩ -> afzet ⇩ ->
productie ⇩ -> prijzen ⇩
2) Inflatie < 0% -> rente ⇩ -> leningen ⇧; sparen ⇧ -> bestedingen ⇧ -> afzet ⇧ ->
productie ⇧ -> inflatie
Maatschappelijke geldhoeveelheid:
M1: het chartale geld en het girale geld in handen van het publiek
Chartaal -> munten en bankbiljetten
Giraal -> direct opeisbare tegoeden op betaalrekeningen (dus geen spaargeld)
Publiek -> gezinnen en bedrijven excl. banken
M1 groeit ->
« Geldschepping
« Je sluit een lening af bij de bank
M1 daalt ->
« Geldvernietiging
« Je boekt geld over naar een spaarrekening
Oorzaken inflatie:
1) Stijgende bestedingen (bestedingsinflatie)
» Bestedingen ⇧
» Bezettingsgraad ⇧
» Als bezettingsgraad 100% nadert, verhogen ze de prijzen
2) Bedrijven berekenen hogere kosten door in de verkoopprijs (kosteninflatie)
Inflatie te laag -> ECB moet ingrijpen
« Refi-rente
» Banken betalen minder rente over kasreserve
» Kosten banken ⇩
» Banken berekenen lagere kosten door
» Geldmarktrente ⇩
» Kredieten ⇧; besparingen ⇩; M1 ⇧
» Bestedingen ⇧
» Inflatie ⇧
« Open markt transactie
» ECB koopt obligaties van banken
» Aanbod basisgeld ⇧
» Geldmarktrente ⇩
» Kredieten ⇧; besparingen ⇩; M1⇧
» Bestedingen ⇧
» Inflatie ⇧
, Nominale rente -> het afgesproken rentepercentage dat spaarders ontvangen en leners
betalen
Reële rente -> nominale rente – inflatie
Vermogensmarkt
1) Geldmarkt -> korte looptijd (prijs = geldmarktrente)
2) Kapitaalmarkt -> lange looptijd (prijs = kapitaalrente)
Kapitaalmarktrente > geldmarktrente
« Op de kapitaalmarkt is de aanbieder het geld langer kwijt
« Risico niet terugbetalen is veel groter (groter debiteurenrisico)
Hoofdstuk 2
Nominaal BBP -> gemeten in € (waarde)
Reel BBP -> gemeten in goederen en diensten (volume)
» Als het reele BBP stijgt, komt er economische groei
» Berekenen me de bestedingsmethode (Y = C + I + O + E – M)
» Werkelijk BBP – potentieel BBP (Y – Y* = output gap)
o Output gap < 0 -> onderbesteding; laagconjunctuur
o Output gap > 0 -> overbesteding; hoogconjunctuur
Anticyclisch conjunctuurbeleid
Laagconjunctuur (y < y*)
« Overheidsbestedingen O⇧
« Werkgelegenheid ⇧
« Inkomen Y⇧
« Bestedingen C⇧
!Begrotingstekort wordt groter!
« Belastingen B⇩
« Bestedingen C⇧
« Inkomen Y⇧
Hoogconjunctuur (y > y*)
« Overheidsbestedingen O⇩
Of
« Belastingen B⇧
Automatische stabilisatoren
1) Sociale zekerheid (uitkeringen)
a. In hoogconjunctuur betalen werknemers meer premie
b. Bestedingen worden afgeremd
c. In laagconjunctuur ontvangen werkelozen uitkeringen
d. Bestedingen blijven op pijl
2) Progressief belastingstelsel
a. In hoogconjunctuur -> hogere inkomens -> hoger belastingtarief
Hoofdstuk 1
Prijsstabiliteit: jaarlijkse inflatie tussen 0 – 2%
1) Inflatie > 2% -> rente ⇧ -> leningen ⇩; sparen ⇧ -> bestedingen ⇩ -> afzet ⇩ ->
productie ⇩ -> prijzen ⇩
2) Inflatie < 0% -> rente ⇩ -> leningen ⇧; sparen ⇧ -> bestedingen ⇧ -> afzet ⇧ ->
productie ⇧ -> inflatie
Maatschappelijke geldhoeveelheid:
M1: het chartale geld en het girale geld in handen van het publiek
Chartaal -> munten en bankbiljetten
Giraal -> direct opeisbare tegoeden op betaalrekeningen (dus geen spaargeld)
Publiek -> gezinnen en bedrijven excl. banken
M1 groeit ->
« Geldschepping
« Je sluit een lening af bij de bank
M1 daalt ->
« Geldvernietiging
« Je boekt geld over naar een spaarrekening
Oorzaken inflatie:
1) Stijgende bestedingen (bestedingsinflatie)
» Bestedingen ⇧
» Bezettingsgraad ⇧
» Als bezettingsgraad 100% nadert, verhogen ze de prijzen
2) Bedrijven berekenen hogere kosten door in de verkoopprijs (kosteninflatie)
Inflatie te laag -> ECB moet ingrijpen
« Refi-rente
» Banken betalen minder rente over kasreserve
» Kosten banken ⇩
» Banken berekenen lagere kosten door
» Geldmarktrente ⇩
» Kredieten ⇧; besparingen ⇩; M1 ⇧
» Bestedingen ⇧
» Inflatie ⇧
« Open markt transactie
» ECB koopt obligaties van banken
» Aanbod basisgeld ⇧
» Geldmarktrente ⇩
» Kredieten ⇧; besparingen ⇩; M1⇧
» Bestedingen ⇧
» Inflatie ⇧
, Nominale rente -> het afgesproken rentepercentage dat spaarders ontvangen en leners
betalen
Reële rente -> nominale rente – inflatie
Vermogensmarkt
1) Geldmarkt -> korte looptijd (prijs = geldmarktrente)
2) Kapitaalmarkt -> lange looptijd (prijs = kapitaalrente)
Kapitaalmarktrente > geldmarktrente
« Op de kapitaalmarkt is de aanbieder het geld langer kwijt
« Risico niet terugbetalen is veel groter (groter debiteurenrisico)
Hoofdstuk 2
Nominaal BBP -> gemeten in € (waarde)
Reel BBP -> gemeten in goederen en diensten (volume)
» Als het reele BBP stijgt, komt er economische groei
» Berekenen me de bestedingsmethode (Y = C + I + O + E – M)
» Werkelijk BBP – potentieel BBP (Y – Y* = output gap)
o Output gap < 0 -> onderbesteding; laagconjunctuur
o Output gap > 0 -> overbesteding; hoogconjunctuur
Anticyclisch conjunctuurbeleid
Laagconjunctuur (y < y*)
« Overheidsbestedingen O⇧
« Werkgelegenheid ⇧
« Inkomen Y⇧
« Bestedingen C⇧
!Begrotingstekort wordt groter!
« Belastingen B⇩
« Bestedingen C⇧
« Inkomen Y⇧
Hoogconjunctuur (y > y*)
« Overheidsbestedingen O⇩
Of
« Belastingen B⇧
Automatische stabilisatoren
1) Sociale zekerheid (uitkeringen)
a. In hoogconjunctuur betalen werknemers meer premie
b. Bestedingen worden afgeremd
c. In laagconjunctuur ontvangen werkelozen uitkeringen
d. Bestedingen blijven op pijl
2) Progressief belastingstelsel
a. In hoogconjunctuur -> hogere inkomens -> hoger belastingtarief