Thema 3 Overige regelgeving
Inleiding op het thema:
Vorige week stond de wet in formele zin (in allerlei verschillende verschijningsvormen) centraal. Dit
thema handelt over lagere vormen van regelgeving. Dat kan gaan om nationale vormen van lagere
regelgeving, zoals de algemene maatregel van bestuur en de ministeriële regeling. Maar ook om
regelgeving door decentrale overheden, met name gemeentelijke verordeningen.
Ten aanzien van de nationale vormen van lagere regelgeving wordt aandacht besteed aan hun
totstandkoming, aan het soort onderwerpen dat hierin kan en mag worden geregeld en aan de wijze
waarop zij zich verhouden tot hogere regelingen.
Vergelijkenderwijs zullen dezelfde onderwerpen aan de orde worden gesteld ten aanzien van
gemeentelijke verordeningen.
Literatuur:
- Kortmann, Constitutioneel recht, Deel II: hfdst. 3.2 (m.u.v. 3.2.2.); 4.2.2.1-4.2.2.3
- W. van der Woude, Commentaar op artikel 127 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G.
Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2017
(www.Nederlandrechtsstaat.nl) (Blackboard)
Jurisprudentie:
- HR 13-01-1879, Meerenberg (Ars Aequi Jurisprudentie)
- HR 25-01-1926, Jamin (Ars Aequi Jurisprudentie)
- HR 22-06-1973, Fluoridering (Ars Aequi Jurisprudentie)
- HR 04-03-1952, Emmense baliekluivers (Ars Aequi Jurisprudentie) (voorkennis)
- ABRvS 13-07-2011, Blowverbod Amsterdam, AB 2011/250 (raadpleegbaar via Kluwer Navigator)
(voorkennis)
Leerdoelen:
Na bestudering van de voorgeschreven literatuur en jurisprudentie en het voorbereid en actief
bijwonen van de onderwijsbijeenkomsten:
1. Kunt u de verschillende vormen van lagere (nationale en decentrale) regelgeving
onderscheiden; (voorkennis)
2. Kunt u de bevoegdheden tot het vaststellen van deze lagere regelgeving juridisch afbakenen;
3. Kunt u voorbeelden van gecontroleerde delegatie herkennen en de redenen voor het toepassen
daarvan duiden.
4. Kunt u de wijzen van het verkrijgen van regelgevende bevoegdheden benoemen en toepassen;
(voorkennis)
5. Delegatie en subdelegatie van regelgevende bevoegdheden verklaren en toepassen;
6. Kunt u de juridische afbakening van de verordenende bevoegdheid van provincies en
gemeenten verklaren en toepassen; (deels voorkennis)
7. Hebt u inzicht in de toedeling van verordenende bevoegdheid aan decentrale organen.
8. Kunt u de juridische status van een beleidsregel (in rechte) duiden.
Werkgroepopdrachten thema 3
Inleiding op het thema:
Vorige week stond de wet in formele zin (in allerlei verschillende verschijningsvormen) centraal. Dit
thema handelt over lagere vormen van regelgeving. Dat kan gaan om nationale vormen van lagere
regelgeving, zoals de algemene maatregel van bestuur en de ministeriële regeling. Maar ook om
regelgeving door decentrale overheden, met name gemeentelijke verordeningen.
Ten aanzien van de nationale vormen van lagere regelgeving wordt aandacht besteed aan hun
totstandkoming, aan het soort onderwerpen dat hierin kan en mag worden geregeld en aan de wijze
waarop zij zich verhouden tot hogere regelingen.
Vergelijkenderwijs zullen dezelfde onderwerpen aan de orde worden gesteld ten aanzien van
gemeentelijke verordeningen.
Literatuur:
- Kortmann, Constitutioneel recht, Deel II: hfdst. 3.2 (m.u.v. 3.2.2.); 4.2.2.1-4.2.2.3
- W. van der Woude, Commentaar op artikel 127 van de Grondwet, in: E.M.H. Hirsch Ballin en G.
Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2017
(www.Nederlandrechtsstaat.nl) (Blackboard)
Jurisprudentie:
- HR 13-01-1879, Meerenberg (Ars Aequi Jurisprudentie)
- HR 25-01-1926, Jamin (Ars Aequi Jurisprudentie)
- HR 22-06-1973, Fluoridering (Ars Aequi Jurisprudentie)
- HR 04-03-1952, Emmense baliekluivers (Ars Aequi Jurisprudentie) (voorkennis)
- ABRvS 13-07-2011, Blowverbod Amsterdam, AB 2011/250 (raadpleegbaar via Kluwer Navigator)
(voorkennis)
Leerdoelen:
Na bestudering van de voorgeschreven literatuur en jurisprudentie en het voorbereid en actief
bijwonen van de onderwijsbijeenkomsten:
1. Kunt u de verschillende vormen van lagere (nationale en decentrale) regelgeving
onderscheiden; (voorkennis)
2. Kunt u de bevoegdheden tot het vaststellen van deze lagere regelgeving juridisch afbakenen;
3. Kunt u voorbeelden van gecontroleerde delegatie herkennen en de redenen voor het toepassen
daarvan duiden.
4. Kunt u de wijzen van het verkrijgen van regelgevende bevoegdheden benoemen en toepassen;
(voorkennis)
5. Delegatie en subdelegatie van regelgevende bevoegdheden verklaren en toepassen;
6. Kunt u de juridische afbakening van de verordenende bevoegdheid van provincies en
gemeenten verklaren en toepassen; (deels voorkennis)
7. Hebt u inzicht in de toedeling van verordenende bevoegdheid aan decentrale organen.
8. Kunt u de juridische status van een beleidsregel (in rechte) duiden.
Werkgroepopdrachten thema 3