Bekijk bij het leren alle (!) video’s uit de kennisclips opnieuw, en maak zo nodig aantekeningen.
Van zygote naar blastula
1. Benoem het type eicellen van rondwormen, amfibieën, vogels en zoogdieren.
Rondwormen: holoblastic, amfibieën: , vogels: centrolecithal en zoogdieren: isolecithal.
2. Leg uit waarom eicellen vogels meer dooiermateriaal bevatten dan eicellen van amfibieën.
Zodat eicellen van verschillende organismen op een andere manier kunnen delen, met een andere
symmetrie en een ander patroon.
3. Leg uit waarom eicellen van rondwormen en van zoogdieren weinig dooiermateriaal bevatten.
Zodat er over het gehele oppervlakte van het ei gedeeld kan worden.
4. Welke twee belangrijke parameters bepalen de klievingspatronen?
Het hoeveelheid dooiermateriaal en de overgeërfde patronen van celdeling.
5. Een van de verschillen tussen het blastulastadium van een amfibie en van een zoogdier is dat bij het
amfibie er kleine (micromeren) en grote blastomeren (macromeren) aanwezig zijn. Leg uit waarom er
een verschil in grootte is tussen de blastomeren bij amfibieën.
Omdat het meeste dooiermateriaal zich op de vegetale
zijde bevind, zit de delingslijn niet op het equator, maar
verder richting de animal zijde. Hierdoor wordt de eicel
verdeeld in 4 kleine blastomeren op de animale zijde, en 4
grote blastomeren (macromeren) op de vegetale zijde.
Hierdoor wordt de eicel in 2 regio’s verdeeld. Één regio
deelt snel, de micromeren op de animal zijde en één
langzaam delende regio, de macromeren op de vegetale
zijde. De animale zijde wordt bedekt met heel veel, kleine cellen, terwijl de vegetale zijde met een
aantal grote blastulen bepakt is.
6. Noem nóg een verschil tussen de blastula van een amfibie en van een zoogdier.
Embryo’s van amfibiën bevatten een blastocoel. Dat is een klein, intracellulair ‘gat’. Het is van de
buitenwereld afgesloten door intracellulaire junctions. Het gat vergroot tijdens de delingen en
eindigt als de blastocoel. De blastocoel geeft toestemming voor celmigratie tijdens de gastrulatie en
voorkomt dat de cellen onder de blastocoel te vroeg communiceren met de cellen boven de
blastocoel.
1