Communiceren met pubers en adolescenten
1. Inleiding
Hersens op ‘aan’
Ouders zijn het middelpunt van het leven van jonge kinderen, hoe ouder ze worden, hoe minder dit
wordt. Einde basisschool richten kinderen zich op leeftijdsgenoten. Vanaf de middelbare school komt
de pubertijd erin en verdwijnen de ouders bewust naar de achtergrond. De wereld van adolescenten
draait om zijn of haar leeftijdsgenoten. Toch spelen de ouders nog een belangrijke rol in het leven van
het kind, de rode draad hierin is contact. Ouders zijn vaak bang dat de relatie knapt, maar dit gebeurt
niet snel. De band verslechtert zelden en vaak is de relatie na de pubertijd dieper dan ooit, en
gelijkwaardiger.
Eerlijke communicatie
Als je wil leren communiceren, moet je met pubers praten. Zij laten je duidelijk weten of je echt contact
maakt. Jongere kinderen passen zich vaak aan de volwassene aan, boven de pubertijd zijn jongeren
vaak te beleeft om de communicatie botweg af te breken. Bij een puber merk je meteen of je echt
contact hebt, anders haakt hij direct af. ‘Ben je klaar? Kan ik naar mijn vrienden’ ‘Jahaaa’, laten weten
dat een volwassene niet communiceert en geen contact maakt.
Jongeren waartegen wordt gezegd ‘het is hier geen hotel’ zijn vaak volledig in zichzelf gekeerd en zijn
alleen maar bezig met andere bezigheden. Omgekeerd is dit net zo vaak het geval, alleen hebben
ouders dit vaak niet door.
Volwassenen hebben vaak de neiging om in de communicatie de hersenen van kinderen en jongeren
op ‘uit’ te zetten. Dat doen ze door te vertellen, niet uitnodigend te zijn en niet te luisteren en te
vragen. De manier om echt te communiceren is de socratische manier. Socrates, de Griekse wijsgeer
ging uit van de deskundigheid van een ander. Hij stelde vragen, vroeg door in plaats van zelf te
vertellen. Waar het op neerkomt, is de hersens van de ander ‘aan’ te zetten. Je komt dan beter in
contact. Pubers vinden ook vaak dat ze als kleine kinderen worden behandeld en alsof ze niet kunnen
denken. Volwassenen hebben vaak (terecht) iets te vertellen dus hoe zorg je ervoor dat de puber over
de noodzakelijke informatie beschikt, zonder dat de volwassene zijn kennis alleen maar overdraagt.
Het denkproces van de jongere moet begeleid worden door middel van vragen.
Hersens op ‘aan’
Om de communicatie wederzijds uitwisselend te maken en tot een echte dialoog te komen, moeten de
gesprekspartners beide hun hersens op ‘aan’ hebben. Ze moeten beide deelnemen aan het gesprek
en denkend en sprekend samen een mening vormen. Volwassenen hebben vaak de neiging om de
hersenen ‘uit’ te zetten in communicatie met jongeren en alleen te vertellen wat ze van iets vinden. Ze
nodigen de jongere niet uit tot denken en delen van gedachten. Dit ligt aan de wijze waarop de
volwassene communiceert, attitude is hierbij van groot belang. De houding moet er een zijn van
respect en bescheidenheid, de vraag is niet óf ze iets te vertellen hebben, maar hoé we met de
jongere kunnen communiceren om de informatie te verkrijgen.
De slimme puber
Het intellectuele vermogen van een jongere neemt tijdens de adolescentie sterk toe. Er ontstaan meer
verbindingen tussen de hersencellen waardoor meer onderlinge verbanden tussen informatie in
verschillende cellen mogelijk wordt gemaakt. Door deze sprong in denken, heeft de jongere vaak de
ervaring ‘plotseling’ alles te begrijpen, dit is de bodem voor eigenwijs gedrag. Tijdens de adolescentie