Nectar biologie – samenvatting hoofdstuk 20, eiwit
Paragraaf 1
Een eiwit heeft een adreslabel zodat het weet waar het heen moet. Deze adrescode ligt in
het DNA.
1. Na transcriptie gaat het mRNA van de kern naar een ribosoom in het grondplasma.
2. De translatie begint hier.
3. Het eerst gevormde stukje polypeptideketen is een adreslabel.
4. Dit stukje bindt aan een signaalherkenningsmolecuul (SHM) uit het grondplasma.
5. De translatie stopt nu tijdelijk.
6. Het SHM hecht aan een SHM-receptoreiwit van het ER en het ribosoom koppelt aan
een ribosoomreceptor van het ER. Hierdoor komt het ribosoom precies boven een
eiwitpoort in het ER te liggen.
7. Deze eiwitpoort gaat open.
8. Energierijk GTP hecht aan de SHM-receptor. Het GTP splitst in GDP en Pi en het SHM
komt los van zijn receptor.
9. Een enzym verwijdert het signaalpeptide van de polypeptideketen.
10. Translatie gaat verder, waarbij de groeiende polypeptideketen binnen het ER
terechtkomt.
11. Wanneer het stopcodon bereikt is, bindt een ontkoppelingsfactor aan het mRNA. Dit
koppelt de polypeptideketen los van het ribosoom.
12. De ribosoomreceptor laat het ribosoom los, dat in twee delen uiteenvalt.
13. De eiwitpoort sluit.
14. In het gladde ER begint de omzetting naar een eiwit. De polypeptideketen krijgt zijn
eiwitstructuur en toevoegingen zoals koolhydraten.
15. Stukjes ER-membraan vormen transportblaasjes die eiwitten voor afwerking naar het
Golgi-systeem vervoeren.
In het Golgi-systeem ontstaat de definitieve eiwitvorm.
1. Enzymen voegen o.a. fosfaatgroepen toe, wijzigen de in het ER toegevoegde suikers
en/of koppelen meerdere polypeptideketens aaneen tot één eiwit.
2. Het Golgi-systeem verpakt en sorteert de gevormde eiwitten in blaasjes. Adreslabels
bepalen hier de eindbestemming.
3. De blaasjes geven hun inhoud door exocytose af aan de afvoerbuis van een klier. Ze
kunnen hier ook als lysosoom hun taak vervullen.
4. Enzymen in de lysosomen breken afvalstoffen binnen de cel af.
5. De cel hergebruikt deze afbraakproducten of scheidt ze uit. Andere blasjes hebben
de eiwitten in hun membranen opgenomen. Deze eiwitten zijn bedoeld als
eiwitpoorten of receptoreiwitten. Ze gaan deel uitmaken van het celmembraan als
zo’n blaasje in het celmembraan fuseert.
Ruimtelijke structuur:
• Primaire structuur het type aminozuur en hun volgorde.
• Secundaire structuur hoe het aminozuur ‘gevouwen’ is (bijv. a-helix).
• Tertiaire structuur driedimensionale structuur van een aminozuur.
• Quaternaire structuur meerdere polypeptiden vormen samen één groot eiwit.
1