Nectar biologie – samenvatting hoofdstuk 8, evolutie
Paragraaf 1
Fossielen: restanten van vroeger levende organismen.
Catastrofetheorie: theorie gebaseerd op natuurrampen, aardbevingen, overstromingen
zoals beschreven in de Bijbel (gaat dus verder op de ideeën uit de
Bijbel).
Evolutietheorie: theorie die verklaart hoe soorten veranderen en nieuwe soorten
ontstaan. Lamarck kwam hier als eerste mee en begon met het maken
van een stamboom van fossiele soorten naar de levende soorten uit
zijn tijd. Hij constateerde dat fossielen afkomstig waren uit
verschillende afzettingslagen en overeenkomsten in lichaamsbouw
vertonen.
Charles Darwin kwam in 1859 met een andere evolutietheorie. Hij nam waar dat binnen
dezelfde populatie individuen variëren in eigenschappen. Hij veronderstelde dat de
leefomgeving een selectiedruk uitoefent op de overlevingskansen van alle individuen.
Individuen die het best zijn aangepast aan de omgeving overleven langer en krijgen meer
nakomelingen. Na een aantal generaties bestaat het grootste deel van de populatie daarom
uit nakomelingen die het beste zijn aangepast aan de omstandigheden.
Deze theorie van Darwin kon echter niet verklaren waarom nieuwe soorten ontstonden of
een aantal andere belangrijke zaken verklaren. Hij werd bijgestaan door Mendel, die een
aantal erfelijkheidswetten had die konden verklaren hoe eigenschappen werden overgeërfd.
Recombinatie van allelen en mutaties in het DNA leiden tot variaties in erfelijke
eigenschappen. Deze twee theorieën gecombineerd creëerde de neodarwinistische theorie.
Samenvattend zijn er de volgende theorieën:
1. Scheppingstheorieën (Christendom, Jodendom, Islam)
2. Catastrofetheorie (Cuvier) “creationisme”
3. Evolutietheorieën (geleidelijke ontwikkeling van het leven)
a. Lamarck – verworven eigenschappen worden doorgegeven aan
nakomelingen.
b. Darwin – The origin of species
i. Organismen zijn verschillend. Er is variatie.
ii. Deze variatie is (voor een deel) erfelijk.
iii. De voortplantingscapaciteit van organismen overtreft die van de
draagkracht van de omgeving waarin ze leven.
iv. Hierdoor zal er concurrentie optreden (struggle of life)
v. In deze concurrentieslag (competitie) zullen de best aangepaste
individuen (fittest) overleven (survival) à survival of the fittest.
vi. De erfelijke eigenschappen die hiervoor verantwoordelijk zijn zullen
dus steeds vaker (in steeds grotere frequentie) gaan voorkomen.
vii. Door mutatie, recombinatie en veranderende omstandigheden blijft
dit proces aan de gang en worden organismen steeds complexer.
1