Hoorcollege 1 15-2-16
Doelen:
De student beschrijft de eigenheid van het kind en de specifieke gedragingen van het
kind binnen een (opvoed)systeem die kunnen wijzen op een verstoorde ontwikkeling
of opvoedingssituatie m.b.v. erkende inzichten van de (ortho)pedagogiek.
De student gebruikt de verschillende visies t.a.v. een afwijkende ontwikkeling en/of
opvoedingssituatie en vertaalt die naar een pedagogische hulpvraag.
De student heeft kennis van het overheidsbeleid en maatschappelijke ontwikkelingen
op het gebied van jeugdhulp
Orthopedagogiek: staat problematische opvoeding centraal en er is hulp nodig. Sprake van
een kind dat in zijn ontwikkeling belemmerd wordt. is de wetenschap die zich bezighoudt
met bijzondere of specifieke opvoeding en het in zijn ontwikkeling belemmerde kind.
Pedagogiek: de wetenschap die opvoeden als object heeft; het denken over opvoeding staat
centraal. Pedagogiek is gericht op het ‘normale’ kind en de ‘normale’ opvoeding.
Kinderen en ondersteuning:
5% complex/specialistisch
15% intensief
80% ‘normaal’
Wat is normaal?: Alle ontwikkelingen in het leven die mogelijk zijn en zodanig voorkomen zonder
dat deze tot grote opvoedproblemen leiden.
Bekijken vanuit:
1. Cultuur
2. Tijd
Fases van sleutel
Fase 1: Stagnatie in de opvoeding. -> ouder weet niet meer hoe te reageren.
Fase 2: Het probleem kan nog met de gewone middelen aangepakt worden.
Fase 3: Deze aanpak levert niet op wat het zou moeten opleveren.
Fase 4: Men heeft het idee dat er geen mogelijkheden meer zijn om zelfstandig aan de
stagnatie te werken en deze te verhelpen
Kinderen die meer aandacht vragen:
1. Leeftijdsadequaat -> past het gedrag bij het leeftijd van het kind
2. Duur van het probleemgedrag -> sinds wanneer bestaan de problemen?
3. Omstandigheden -> bijv vluchtelingen, thuissituatie, is het gedrag begrijpelijk?
4. Socio-culturele setting -> pedagogisch klimaat in een klas, groep. Bijv. al is het
pedagogisch klimaat goed, verwacht je minder gepeste kinderen
5. Frequentie van de problemen -> hoe vaak komt het voor
6. Type problemen en mate van voorkomen van die problemen in de populatie -> komt
het gedrag voor onder de normale populatie?
7. De intensiteit van de problemen -> de heftigheid, hoe heftiger hoe ernstiger