Beeldende kunst
Abstract expressionisme (vanaf 1946)
Nadruk op het proces/handeling, resultaat minder belangrijk
Action painting: grote doeken op de grond, automatisme, werken in trance (alcohol, drugs, etc.)
Colorfield painting: grote kleurvlakken, opzoek naar bezinning minder gewelddadig, expressie
kleur belangrijker dan expressie kunstenaar
Algemene kenmerken:
o Expressiviteit, uiting van gevoel
o Groots en meeslepend
o Grote formaten
o Improvisatie
Popart (jaren ’50 en ’60)
Invloed massamedia (strips, reclame, televisie, kranten)
Consumptiemaatschappij in beeld brengen
Kunst was reproduceerbaar
Lijnrecht tegenover de artistieke voorhoede popart overbrugt de kloof tussen massamedia en
abstracte kunst, door massamedia als onderwerp in de kunst te introduceren
Afzetten tegen expressionisme
Populaire beeldtaal en media
Onpersoonlijke, industriële technieken
Minimale kunst (jaren ’60)
Geen emotionele lading, voorstelling, verhaal of thema
Basisvormen, primaire kleuren, industriële uitstraling
Wat overblijft is de vorm in zijn essentie: eenvoudig objectief en zonder emotionele lading
Een minimaal kunstwerk verwijst nergens anders naar dan naar zichzelf (net als Pure dans)
Performance kunst
Beweegt op de grens tussen theater en beeldende kunst
Kunstwerk dat in de vorm van een (theatrale) actie aan het publiek wordt getoond
Niet verhalend, kunstenaar is vaak onderdeel van de performance
Dans
Pure dans
Avant-garde dans van Merce Cunningham
Niet verhalend, geen emoties
Gewone bewegingen worden benadrukt
Uitbreiding van lopen, toeval en symboliek spelen een grote rol
Tanztheater – Pina Bausch
Mengeling van dans, drama, performance en muziek
Gebruik van stijlmiddelen uit de pure dans (bv veel herhaling)