NAF het hart.
Prevalentie: het aantal gevallen van een ziekte dat in een omschreven populatie in een
omschreven periode voorkomt.
Incidentie: het aantal nieuwe gevallen van een bepaalde ziekte in een
omschreven populatie gedurende een omschreven periode.
Er zijn 2 soorten hartfalen:
- Systolisch hartfalen: De hartspier trekt niet krachtig genoeg samen. Het hart pompt
per hartslag veel minder bloed rond dan normaal
- Diastolisch hartfalen: De hartspier ontspant zich niet goed genoeg en het hart vult
zich minder goed met bloed. Er is minder bloed beschikbaar om rond te pompen
Een normaal hart pompt ongeveer 60% weg (ejectiefractie) van de vloeistof in het hart, 40%
blijft achter.
Een vergroting van het hart geeft een zwakker hart.
Het hart heeft een systole en een diastole:
Amarosis fugax: een snel verdwijnende blindheid door een tia (voorsprong van een beroerte)
Embolus = een prop (bloedstolsel, deeltjes van een gezwel, vetdruppel of trombus) De
bloedstolsels kunnen door het stromende bloed meegevoerd worden tot ze vastlopen in een
kleiner bloedvat en deze afsluiten.
De kleppen in het hart zorgen voor de richting van de bloedstroom.
Prevalentie: het aantal gevallen van een ziekte dat in een omschreven populatie in een
omschreven periode voorkomt.
Incidentie: het aantal nieuwe gevallen van een bepaalde ziekte in een
omschreven populatie gedurende een omschreven periode.
Er zijn 2 soorten hartfalen:
- Systolisch hartfalen: De hartspier trekt niet krachtig genoeg samen. Het hart pompt
per hartslag veel minder bloed rond dan normaal
- Diastolisch hartfalen: De hartspier ontspant zich niet goed genoeg en het hart vult
zich minder goed met bloed. Er is minder bloed beschikbaar om rond te pompen
Een normaal hart pompt ongeveer 60% weg (ejectiefractie) van de vloeistof in het hart, 40%
blijft achter.
Een vergroting van het hart geeft een zwakker hart.
Het hart heeft een systole en een diastole:
Amarosis fugax: een snel verdwijnende blindheid door een tia (voorsprong van een beroerte)
Embolus = een prop (bloedstolsel, deeltjes van een gezwel, vetdruppel of trombus) De
bloedstolsels kunnen door het stromende bloed meegevoerd worden tot ze vastlopen in een
kleiner bloedvat en deze afsluiten.
De kleppen in het hart zorgen voor de richting van de bloedstroom.