Inhoud
Hoorcollege 3 (14-2-23): Embryologie 3 (Neurulatie) ................................................................................................. 2
Ectoderm ......................................................................................................................................................... 2
Neurale plaat ............................................................................................................................................... 2
Primaire neurulatie .................................................................................................................................. 3
Neurale plaat grens ...................................................................................................................................... 6
Neurale lijst ............................................................................................................................................. 6
Placode-ectoderm ................................................................................................................................... 7
Niet -neuraal ectoderm ................................................................................................................................ 9
Neurulatie en neuraalbuisdefecten .............................................................................................................10
Primaire neurulatie .................................................................................................................................10
Disorders of primary neurulation .............................................................................................................13
Secundaire neurulatie .................................................................................................................................16
Hoorcollege 4 (17-2-23): Basale ontwikkelingsconcepten ........................................................................................20
Pluripotentie .......................................................................................................................................................21
Oct4................................................................................................................................................................21
Stamcellen .....................................................................................................................................................21
Genetische equivalentie ......................................................................................................................................22
Kloneren .............................................................................................................................................................23
Differentiatie .......................................................................................................................................................25
Verschillen tussen diersoorten ........................................................................................................................26
Verschillen in multicellulaire organismen ........................................................................................................27
Patroonvorming en Morfogenese .........................................................................................................................29
Hoorcollege 5 (17-2-23): Patroonvorming en tweelingen ..........................................................................................34
Patroonvorming ...................................................................................................................................................35
Holoprosencephalie ........................................................................................................................................36
Siamese tweelingen ............................................................................................................................................40
Ventrale conjuncties .......................................................................................................................................43
Laterale conjuncties........................................................................................................................................45
Caudale conjunctie .........................................................................................................................................47
Maar… ............................................................................................................................................................47
Neurale conjunctie ..........................................................................................................................................49
Verder .............................................................................................................................................................50
,Dr. Roeland Kleipool (deel 1) – Prof. Dr. Roelof-Jan Oostra (deel 2)
Ectoderm
❖ De vorige keer hebben we het endo- en mesoderm besproken
❖ Nu: ectoderm!
❖ Weet je nog? 4 gastrulatie producten
o 3 gevormd uit het epiblast door EMT
▪ EEM (12-13 dagen ontwikkeling)
▪ Endoderm (14 dagen ontwikkeling)
▪ IEM (14-20 dagen ontwikkeling)
o Het deel van de epiblast wat na de gastrulatie overblijft vormt het ectoderm
❖ Plaatje rechtsboven
o Bij de primitief streek worden het EEM, Endoderm en IEM gevormd door migratie etc,
groeit in de craniale richting uit
▪ En daar worden de niet-veranderde cellen dus steeds verder weggeduwd in
craniale richting
• Daardoor: de cellen die ver weg liggen van de primitief streek zijn
nooit meer in staat bij te dragen aan andere
gastrulatieproducten
o → zullen differentieren tot
ectodermcellen
• Je kunt een grens trekken om aan te geven
welke cellen te ver weg liggen (fate map!)
❖ Het ectoderm wordt gevormd door de overblijvende epiblast cellen
die niet bijdragen aan het EEM, het endoderm en het IEM
o Epiblast en ectoderm gaan dus naadloos in elkaar over
❖ Fate map
o Cellen vlaggetjes geven en kijken waarin ze ontwikkelen
o Des te eerder, des te centraler gelegen
❖ Ectoderm-stamboom: ectoderm ontwikkelt tot niet-neuraal
ectoderm (blauw), neurale plaat grens (groen), en neurale plaat
(paars)
o Neurale plaat wordt neurale buis
o Neurale buis wordt CSZ
❖ Als eerst bekijken: Neurale plaat → neurale buis → CNS
Neurale plaat
❖ Herinnering: mesoderm wordt eerder dan het ectoderm
gevormd
o Gelabeld van mediaal naar lateraal: chroda →
paraxiaal mesoderm (somieten) → intermediair mesoderm (urigenitale systeem) →
zijplaat mesoderm (lichaamsholten o.a.)
o De chorda loopt van de Knoop van Hensen tot het orofharyngeale membraan!
▪ O. membraan: daar is geen mesoderm!
,Primaire neurulatie
❖ Het ectoderm verdikt zich op geleide van de chorda
(dorsalis) (paarse rondje in afbeelding) tot de neurale
plaat
❖ Het oropharyngeale membraan (blauw
rondje in afbeelding) vormt craniaal de
begrenzing van de neurale plaat
❖ Witte afbeelding
o Gastrulatieregio caudaal,
(knoop v. Hensen → coacale
membraan?)
o Chorda craniaal (knoop v. hensen →
orofaryngeale membraan)
o Te zien dat gastrulatieregio gelijk blijft in lengte,
maar wordt relatief steeds kleiner
▪ Doordat vanuit de staartregio celtoevoer
is en de cellen naar craniaal worden
geduwd
▪ Later in de ontwikkeling neemt ie ook absoluut af en verwijnt ie (Dan is de
gastrulatie klaar). Maar eerst dus chronologische overlap gastrul atie
en neurulatie
o Neurale plaat is craniaal breder dan caudaal
▪ Brede craniale deel: hersenen
▪ Smalle caudale deel: ruggenmerg
❖ De laterale delen van de neurale plaat welven naar
dorsaal.
o Hierdoor ontstaan de neurale wallen en de
neurale groeve.
❖ De toppen van de neurale wallen gaan fuseren.
o Hierdoor wordt de neurale buis
gevormd (holte in de neurale buis is een
afsnoering van de amnionholte)
o Een soort ritssluiting naar kop- en
staartzijde
❖ Afbeeldingen van elektronenmiscroscoopopnames
, ❖ Vraag uit zaal: komt er nog mesoderm tussen de neurale buis en de embryonale
huid?
o Ja
❖ Tijdelijk blijft er een opening bestaan:
o de neuroporus cranialis
o en de neuruporus caudalis
o Craniocaudale ontwikkelingsgradient:
▪ kop zal eerder sluiten dan staart
❖ Afbeelding met doorsnede neurale buis
o Als de neurale buis gesloten is, dan is dat geen loden pijp, maar het eheft
contouren
o Die worden steeds priminenter
gaanderweg de ontwikkeling
❖ Bouwplan van het centrale zenuwstelsel
o Afbeelding 1: drie primaire hersenblaasjes
▪ Prosencephalon (voorhersenen)
▪ Mesencephalon (middenhersenen)
▪ Rhombencephalon
(achterhersenen/ruitvormig, vanwege het
dak)
▪ De rest wordt ruggenmerg
▪ In prosencephahlon al uitstulping naar
lateraal: oogaanleg
▪ En kleine uitstulping midventraal: begin
hypofyseaanleg
o Afbeelding 2: vijf secundaire hersenblaasjes
▪ Prosencephalon → telencephalon +
diencephalon
▪ Rhombecephalon → metencephalon +
myelencephalon
o Afbeelding 3:
▪ Telencephalon neemt enorm toe in
grootte
▪ Diencephalon daardoor niet meer
zichtbaar
▪ Cerebrum = telencephalon +
diencephalon
▪ Metencephalon → cerebellum (kleine
hersenen) + pons (brug) + medulla
oblongata (verlengde merg)
▪ Myelencephalon → hersenstam =
medulla obl. ?