Hoofdstuk 1
1.1 Leerplichtwet
- Voor de invoering van de leerplichtwet in 1900 was een kind met problemen afhankelijk van personen die zich om hem
bekommerden.
- Pas in de eerste jaren na het effectief worden van de wet ontstond er een betrouwbaarder beeld van de aantallen
probleemleerlingen en daarmee een nieuw onderwijskundig probleem: de grote groep kinderen die niet in staat was
zonder meer het aangeboden onderwijs te volgen.
1.1 Isoleren of terugplaatsen
- Langzaam werd de problematiek duidelijk: te veel kinderen bleken moeite te hebben met het volgen van de
standaardvorm van het gegeven onderwijs en hadden speciale onderwijskundige behoeften.
* Men noemde ze zwakbegaafd of achterlijk.
- De klachten over deze kinderen werden veelal geformuleerd in termen van storende elementen die de gewenste gang van
zaken in de klas haast onmogelijk maakten.
- Vaak was er dan het verzoek aan de minister om dergelijke kinderen buiten de leerplichtwet te plaatsen, om ze van school
te kunnen verwijderen.
* Daardoor werd de roep om een wettelijk geregelde vorm van speciaal onderwijs wel groter.
- Het plaatsen van leerlingen in een vorm van onderwijs buiten het reguliere onderwijs kan positieve mogelijkheden bieden.
* Men kan aan de school voor speciaal onderwijs eventuele financiele steun bieden en ontheffing verlenen om te voldoen
aan de voorwaarden van het reguliere onderwijs waardoor er meer vrijheid ontstaat ten aanzien van het leerplan.
- De tegenstanders van speciaal onderwijs wezen juist op het gevaar van negatieve etikettering.
- De ervaring hier en in het buitenland leerde dat het oprichten van speciale, afzonderlijke klassen in de gewone lagere
school niet automatisch een betere oplossing was, maar ook ernstige nadelen had.
1. Het bleek dat de weg terug naar de gewone klas moeilijk te realiseren was.
* Het bleek ook nog kinderen te betreffen met minder ernstige problemen of partieel gehandicapten, kinderen die wat
achtergeraakt waren of meer instructie nodig hadden.
* Kinderen met ernstige problemen konden niet zomaar terug.
2. Men moest vaststellen dat het gevaar van negatieve etikettering in het geheel niet verdwenen was wanneer een
probleemkind in een aparte klas aan de gewone school werd opgevangen, maar eerder sterker werd.
1.1.2 Speciaal onderwijs
- Er kwamen aparte scholen met speciale voorzieningen die aansloten bij de specifieke problemen van de kinderen.
- Een breed spectrum aan scholen voor buitengewoon onderwijs, later speciaal onderwijs genoemd, ontstond.
- Daarnaast ontstonden in samenwerking met universiteiten Pedologische instituten, waar men kinderen met ernstige en
gecompliceerde problemen langdurig observeerde.
- De scholen voor buitengewoon onderwijs kenmerkten zich door minder leerlingen per groep.
* Ook waren er extra mogelijkheden tot het geven van hulp.
1.2 Beleidsverandering
- In het begin van de jaren zeventig van de vorige eeuw begon bij de Nederlandse politiek het geven van apart onderwijs
aan probleemleerlingen in diskrediet te raken.
* Het buitengewoon (speciaal) onderwijs moest flink veranderen.
- Er verschenen in een relatief korte periode een groot aantal beleidsnota's, waaronder de Contourennota (1975).
1.2.1 Heroriëntering speciaal onderwijs
- Men voerde een aantal redenen aan waarom een heroriëntering op het speciaal onderwijs nodig zou zijn:
* Op speciaal onderwijs zou een breuk teweegbrengen in de continuïteit van de ontwikkeling van het kind.
* Het speciaal onderwijs boekte niet altijd het verwachte resultaat bij het kind.
* De werkwijzen verschilden niet fundamenteel met die van het basisonderwijs.
* De leerling werd in een uitzonderingspositie geplaatst en kon leiden tot een negatieve etikettering.
* Verwijzing naar een speciale school haalde het kind uit zijn eigen omgeving.
* Het in stand houden van speciaal onderwijs was erg duur, en de groei van het leerlingaantal deed het budget
onaanvaardbaar stijgen.