1. Wat behoort niet tot de nauwe visie op ontwikkeling?
a. Onafhankelijk van cultuur
b. Universeel
c. Multidirectioneel
d. Sequentieel
2. Wat is een voordeel van cross-sectionele designs, wat niet van toepassing is bij longitudinale
designs?
a. Toont overeenkomsten en verschillen tussen leeftijdsgroepen
b. Echte meting van intrapersoonlijke verandering
c. Het meet stabiliteit van ontwikkelingskenmerken
d. Is generaliseerbaar naar alle andere meetmomenten
3. In een correlationele studie zijn er 2 grote limitaties. Welke zijn dat?
a. Richting probleem en cohort probleem
b. Derde variabele probleem en validiteit
c. Derde variabele probleem en cohort probleem
d. Richting probleem en derde variabele probleem
4. Wat is waar over biologische leeftijd?
a. Biologische leeftijd is verantwoordelijk voor veranderingen
b. Er kan een correlatie bestaan tussen biologische leeftijd en de verandering
c. Veranderingen en biologische leeftijd lopen altijd samen
d. Bij elke biologische leeftijd horen bepaalde veranderingen
5. Wat is niet één van de kenmerken van emerging adulthood volgens Arnett?
a. Ontdekken van eigen identiteit
b. Het hebben van een stabiel leven door werk en relaties
c. Vrij van verplichtingen
d. Gericht op jezelf
, Week 2
6. Freud had in zijn theorie 3 componenten van persoonlijkheid. Eén van deze componenten
gaat over de morele standpunten die een persoon heeft. Over welk component gaat het?
a. Id
b. Ego
c. Superego
d. Eros
7. Erikson geloofde dat ieder mens 8 grote psychosociale stadia doormaakte tijdens het leven.
Een daarvan is initiatief versus spijt (3 jaar – 6 jaar). Welk stadium volgt hierna?
a. Industrie versus inferioriteit
b. Identiteit versus rolverwarring
c. Autonomie versus schaamte en twijfel
d. Vertrouwen versus wantrouwen
8. Een muis zit opgesloten in een kamer met een hendeltje. Hij hoort de hele tijd een irritant
geluid. Wanneer hij op het hendeltje drukt gaat het irritante geluid weg. Wanneer even later
het irritante geluid weer terugkeert, drukt de muis meteen weer op het hendeltje om het
geluid weer weg te halen. Van welke soort operante conditionering is hier sprake van volgens
Skinner?
a. Positieve bekrachtiging
b. Negatieve bekrachtiging
c. Negatieve bestraffing
d. Positieve bestraffing
9. Het MacArthur Model of Successful Aging is op te delen in 3 categorieën. Welk van
onderstaande is niet een van de 3 categorieën?
a. Het ontbreken van ziektes.
b. Het behouden van fysieke en cognitieve functies.
c. Het actief blijven deelnemen aan het leven.
d. Het onderhouden van sociale relaties.
10. Bij een begrip hoort de volgende betekenis: ‘De mate van ondersteuning wordt aangepast
aan de mogelijkheden van het kind. De hoeveelheid ondersteuning wordt gradueel
verminderd.’. Over welk begrip wordt hier gesproken?
a. Zone van proximale ontwikkeling
b. Scaffolding
c. Sociale cognitie
d. Assimilatie