Samenvatting hoofdstuk 9 – Motivatie en emotie Psychologie Periode 2
9.1 Wat motiveert ons?
Motivatie = term voor alle processen die te maken hebben met de aanzet, de richting, de
intensiteit en het volhouden van lichamelijke en psychische activiteiten
Kernconcept: Motieven zijn innerlijke drijfveren om op een bepaalde manier te handelen, al kunnen
ze door allerlei factoren worden beïnvloed, zowel interne als externe.
In bredere zin verwijst het concept motivatie naar alle processen met betrekking tot (a) het voelen
van een behoefte of verlangen en vervolgens (b) het activeren en richting geven aan het organisme
door het selecteren, sturen en volhouden van mentale en fysieke activiteit die gericht is op
bevrediging van de behoefte of het verlangen en daardoor (c) het reduceren van de
behoeftesensatie. Bij veel motieven is er een complexe combinatie van biologische en
psychologische behoeften betrokken, vooral als die te maken hebben met onze sociale interacties,
emoties en doelen.
9.1.1 Prestatiemotivatie
Wanneer motieven van buitenaf komen, worden ze extrinsieke motivatie genoemd. Ze hebben in
het algemeen betrekking op externe prikkels die een organisme tot actie aanzetten (bv. cijfers, eten).
Extrinsieke motivatie = het verlangen om een activiteit uit te voeren omwille van een
externe consequentie, zoals een beloning
Intrinsieke motivatie = het verlangen om een activiteit uit te voeren omwille van de activiteit
zelf, en niet vanwege een externe consequentie, zoals een beloning
Prestatiedrang (need for achievement, n Ach) = een geestelijke toestand die een
psychologische behoefte veroorzaakt om een moeilijk maar aantrekkelijk doel te bereiken
Mensen kunnen ook intrinsieke motieven hebben: motieven die vanuit de persoon ontstaan. Het
heeft in het algemeen betrekking op een activiteit zelf, ongeacht externe beloningen of straffen. Je
doet het omdat je er een psychologische behoefte mee bevredigt. De activiteit is een beloning op
zichzelf.
Prestatiedrang (need for achievement, n Ach) wordt gedefinieerd als het verlangen om een moeilijk
maar verlangd doel te bereiken. McClelland bepaalde hoe hoog de beschrijvingen van verschillende
mensen scoorden op prestatiedrang en ontdekte dat bepaalde kenmerken mensen met een grote
prestatiedrang onderscheiden.
Kenmerken:
Werken harder
Succesvoller in het werk
Tonen meer doorzettingsvermogen bij moeilijke opdrachten
,De prestatiemotivatietest
De prestatiemotivatietest (PMT) meet drie aspecten die gerelateerd zijn aan prestatiemotivatie:
prestatiemotief: een relatief stabiele persoonlijkheidseigenschap die in specifieke situaties leidt tot
presteren; positieve én negatieve faalangst, die beide bepalend zijn voor de productiviteit en de
houding ten opzicht van werk. De test is te gebruiken vanaf de leeftijd van 16 jaar en er is een
speciale kinderversie ontwikkeld, PMT-K.
Een crosscultureel perspectief op prestatie
In de Westerse cultuur worden prestaties meestal gezien als gevolg van individueel talent,
vastberadenheid, intelligentie of houding. In een groot deel van de wereld wordt prestatie echter
anders bekeken, als combinatie van persoonlijke, sociale en emotionele factoren. Er is onderscheid
tussen de culturen, namelijk waar de nadruk ligt op individualisme of collectivisme.
Individualisme = het standpunt dat individuele prestaties en jezelf onderscheiden erg
belangrijk zijn. Deze visie wordt vooral in de westerse wereld aangehangen
Collectivisme = het standpunt dat groepsloyaliteit en het aanzien van de groep belangrijker
zijn dan individuele prestaties. Deze visie is gangbaar in Azië, Afrika, Zuid-Amerika en
Midden-Oosten
Bij individualisme worden persoonlijke prestaties gewaardeerd en bij collectivisme wordt veel
waarde gehecht aan loyaliteit. Het individu is ondergeschikt aan de groep.
9.1.2 De onverwachte effecten van beloningen op motivatie
Extrinsieke beloning (lof, geld, etc.) kan een reden zijn waarom mensen presteren. Het kan echter
ook zo zijn dat ze een beloning krijgen voor activiteiten of dingen die ze intrinsiek leuk vinden.
Overrechtvaardiging
Een externe bekrachtiging kan de interne motivatie in de kiem smoren. Dit wordt ook wel
overrechtvaardiging (overjustification) genoemd. Door overrechtvaardiging kan de motivatie van
intrinsiek naar extrinsiek verschuiven. Soms kan een extrinsieke beloning de intrinsieke motivatie
wegnemen.
Overrechtvaardiging = proces waarbij een extrinsieke beloning een interne motivatie
verdringt
Wanneer werken beloningen?
Specifiek blijkt dat overrechtvaardiging alleen optreedt als de beloning geen rekening houdt met de
kwaliteit van de prestatie. Belonen heeft dus wel degelijk een functie bij het motiveren van mensen,
maar alleen als de beloning in verhouding staat tot de prestatie, en niet wordt gebruikt om iemand
‘om te kopen’.
Belangrijke gevolgen voor motivatie door beloningen, afhankelijk van omstandigheden:
Beloningen kunnen een effectieve manier zijn om mensen te motiveren dingen te doen die
ze anders niet zouden doen.
Beloningen kunnen de motivatie vergroten, mits ze worden gegeven voor een goede
prestatie.
, Rekening houdend met bovenstaande gevolgen van beloningen voor motivatie, is het wel degelijk
mogelijk een gemotiveerde persoon nog gemotiveerder te maken. Het nadelige effect van
beloningen doet zich alleen maar voor als ze gegeven worden zonder rekening te houden met het
prestatieniveau.
9.2 Hoe worden onze motivatieprioriteiten gesteld?
Kernconcept: Een nieuwe theorie die Maslows hiërarchie combineert met evolutiepsychologie, stelt
dat functionele, proximale en ontwikkelingsfactoren bepalen welke motieven prioriteit krijgen.
Volgens Maslow hebben verschillende motieven verschillende prioriteiten, op basis van de
behoeftehiërarchie. Dorst heeft bijvoorbeeld prioriteit boven de behoefte aan affiliatie of respect.
9.2.1 De instincttheorie
Psychologen menen dat elk organisme, ook de mens, wordt geboren met een reeks biologisch en
evolutionair bepaalde gedragspatronen die essentieel zijn voor zijn overleving. Volgens de
instincttheorie zijn deze ingebouwde gedragspatronen, instincten, een redelijk goede verklaring voor
regelmatige cycli in diergedrag, die in wezen bij een gehele soort op dezelfde manier voorkomen.
Instincttheorie = verouderd idee dat bepaalde gedragspatronen worden bepaald door
aangeboren factoren. De instincttheorie hield geen rekening met de effecten van leren en
gebruikte instincten vooral als labels, in plaats van als verklaringen voor gedrag
Hoewel leren leren bij zulk instinctief gedrag geen grote rol speelt, is ervaring vaak wel in staat om
het gedrag enigszins bij te sturen, een kat die haar kittens leert jagen bijvoorbeeld. Dit voorbeeld
toont aan dat ‘instincten’ te maken hebben met een hoop nature (genetisch bepaald) en een beetje
nurture (beïnvloed worden door leren).
Doordat de term instinct veel gebruikt wordt in het dagelijkse taalgebruik. Door het gebruik op al
deze manieren, wordt het vaag; het is meer een label dan een verklaring voor gedrag. Er wordt
daarom liever gesproken van gefixeerde actiepatronen: niet-aangeleerde gedragingen die bij de
gehele soort voorkomen en het gevolg zijn van duidelijk identificeerbare stimuli (bv. zuigreflex).
Gefixeerd actiepatroon = genetisch bepaald gedragspatroon dat bij alle individuen van een
soort voortkomt en dat door een specifieke stimulus wordt ontketend. Het concept van
gefixeerde actiepatronen heeft de verouderde term ‘instinct’ vervangen
Instincten of gefixeerde actiepatronen worden vooral gebruikt om dierlijk gedrag te benoemen.
Echter lijkt de biologie verantwoordelijk te zijn voor een deel van het menselijke gedrag. Het is echter
niet duidelijk hoe nuttig instincten zijn bij het verklaren van complexere gedragingen bij mensen.
9.2.2 De drijfveertheorie
Het concept ‘drijfveer’ werd ontwikkeld als alternatief voor het concept instinct om gedrag met een
sterke biologische basis, beter te verklaren. Een biologische drijfveer wordt gedefinieerd als de
toestand van energie of spanning die een organisme beweegt om een biologische behoefte te
vervullen.
9.1 Wat motiveert ons?
Motivatie = term voor alle processen die te maken hebben met de aanzet, de richting, de
intensiteit en het volhouden van lichamelijke en psychische activiteiten
Kernconcept: Motieven zijn innerlijke drijfveren om op een bepaalde manier te handelen, al kunnen
ze door allerlei factoren worden beïnvloed, zowel interne als externe.
In bredere zin verwijst het concept motivatie naar alle processen met betrekking tot (a) het voelen
van een behoefte of verlangen en vervolgens (b) het activeren en richting geven aan het organisme
door het selecteren, sturen en volhouden van mentale en fysieke activiteit die gericht is op
bevrediging van de behoefte of het verlangen en daardoor (c) het reduceren van de
behoeftesensatie. Bij veel motieven is er een complexe combinatie van biologische en
psychologische behoeften betrokken, vooral als die te maken hebben met onze sociale interacties,
emoties en doelen.
9.1.1 Prestatiemotivatie
Wanneer motieven van buitenaf komen, worden ze extrinsieke motivatie genoemd. Ze hebben in
het algemeen betrekking op externe prikkels die een organisme tot actie aanzetten (bv. cijfers, eten).
Extrinsieke motivatie = het verlangen om een activiteit uit te voeren omwille van een
externe consequentie, zoals een beloning
Intrinsieke motivatie = het verlangen om een activiteit uit te voeren omwille van de activiteit
zelf, en niet vanwege een externe consequentie, zoals een beloning
Prestatiedrang (need for achievement, n Ach) = een geestelijke toestand die een
psychologische behoefte veroorzaakt om een moeilijk maar aantrekkelijk doel te bereiken
Mensen kunnen ook intrinsieke motieven hebben: motieven die vanuit de persoon ontstaan. Het
heeft in het algemeen betrekking op een activiteit zelf, ongeacht externe beloningen of straffen. Je
doet het omdat je er een psychologische behoefte mee bevredigt. De activiteit is een beloning op
zichzelf.
Prestatiedrang (need for achievement, n Ach) wordt gedefinieerd als het verlangen om een moeilijk
maar verlangd doel te bereiken. McClelland bepaalde hoe hoog de beschrijvingen van verschillende
mensen scoorden op prestatiedrang en ontdekte dat bepaalde kenmerken mensen met een grote
prestatiedrang onderscheiden.
Kenmerken:
Werken harder
Succesvoller in het werk
Tonen meer doorzettingsvermogen bij moeilijke opdrachten
,De prestatiemotivatietest
De prestatiemotivatietest (PMT) meet drie aspecten die gerelateerd zijn aan prestatiemotivatie:
prestatiemotief: een relatief stabiele persoonlijkheidseigenschap die in specifieke situaties leidt tot
presteren; positieve én negatieve faalangst, die beide bepalend zijn voor de productiviteit en de
houding ten opzicht van werk. De test is te gebruiken vanaf de leeftijd van 16 jaar en er is een
speciale kinderversie ontwikkeld, PMT-K.
Een crosscultureel perspectief op prestatie
In de Westerse cultuur worden prestaties meestal gezien als gevolg van individueel talent,
vastberadenheid, intelligentie of houding. In een groot deel van de wereld wordt prestatie echter
anders bekeken, als combinatie van persoonlijke, sociale en emotionele factoren. Er is onderscheid
tussen de culturen, namelijk waar de nadruk ligt op individualisme of collectivisme.
Individualisme = het standpunt dat individuele prestaties en jezelf onderscheiden erg
belangrijk zijn. Deze visie wordt vooral in de westerse wereld aangehangen
Collectivisme = het standpunt dat groepsloyaliteit en het aanzien van de groep belangrijker
zijn dan individuele prestaties. Deze visie is gangbaar in Azië, Afrika, Zuid-Amerika en
Midden-Oosten
Bij individualisme worden persoonlijke prestaties gewaardeerd en bij collectivisme wordt veel
waarde gehecht aan loyaliteit. Het individu is ondergeschikt aan de groep.
9.1.2 De onverwachte effecten van beloningen op motivatie
Extrinsieke beloning (lof, geld, etc.) kan een reden zijn waarom mensen presteren. Het kan echter
ook zo zijn dat ze een beloning krijgen voor activiteiten of dingen die ze intrinsiek leuk vinden.
Overrechtvaardiging
Een externe bekrachtiging kan de interne motivatie in de kiem smoren. Dit wordt ook wel
overrechtvaardiging (overjustification) genoemd. Door overrechtvaardiging kan de motivatie van
intrinsiek naar extrinsiek verschuiven. Soms kan een extrinsieke beloning de intrinsieke motivatie
wegnemen.
Overrechtvaardiging = proces waarbij een extrinsieke beloning een interne motivatie
verdringt
Wanneer werken beloningen?
Specifiek blijkt dat overrechtvaardiging alleen optreedt als de beloning geen rekening houdt met de
kwaliteit van de prestatie. Belonen heeft dus wel degelijk een functie bij het motiveren van mensen,
maar alleen als de beloning in verhouding staat tot de prestatie, en niet wordt gebruikt om iemand
‘om te kopen’.
Belangrijke gevolgen voor motivatie door beloningen, afhankelijk van omstandigheden:
Beloningen kunnen een effectieve manier zijn om mensen te motiveren dingen te doen die
ze anders niet zouden doen.
Beloningen kunnen de motivatie vergroten, mits ze worden gegeven voor een goede
prestatie.
, Rekening houdend met bovenstaande gevolgen van beloningen voor motivatie, is het wel degelijk
mogelijk een gemotiveerde persoon nog gemotiveerder te maken. Het nadelige effect van
beloningen doet zich alleen maar voor als ze gegeven worden zonder rekening te houden met het
prestatieniveau.
9.2 Hoe worden onze motivatieprioriteiten gesteld?
Kernconcept: Een nieuwe theorie die Maslows hiërarchie combineert met evolutiepsychologie, stelt
dat functionele, proximale en ontwikkelingsfactoren bepalen welke motieven prioriteit krijgen.
Volgens Maslow hebben verschillende motieven verschillende prioriteiten, op basis van de
behoeftehiërarchie. Dorst heeft bijvoorbeeld prioriteit boven de behoefte aan affiliatie of respect.
9.2.1 De instincttheorie
Psychologen menen dat elk organisme, ook de mens, wordt geboren met een reeks biologisch en
evolutionair bepaalde gedragspatronen die essentieel zijn voor zijn overleving. Volgens de
instincttheorie zijn deze ingebouwde gedragspatronen, instincten, een redelijk goede verklaring voor
regelmatige cycli in diergedrag, die in wezen bij een gehele soort op dezelfde manier voorkomen.
Instincttheorie = verouderd idee dat bepaalde gedragspatronen worden bepaald door
aangeboren factoren. De instincttheorie hield geen rekening met de effecten van leren en
gebruikte instincten vooral als labels, in plaats van als verklaringen voor gedrag
Hoewel leren leren bij zulk instinctief gedrag geen grote rol speelt, is ervaring vaak wel in staat om
het gedrag enigszins bij te sturen, een kat die haar kittens leert jagen bijvoorbeeld. Dit voorbeeld
toont aan dat ‘instincten’ te maken hebben met een hoop nature (genetisch bepaald) en een beetje
nurture (beïnvloed worden door leren).
Doordat de term instinct veel gebruikt wordt in het dagelijkse taalgebruik. Door het gebruik op al
deze manieren, wordt het vaag; het is meer een label dan een verklaring voor gedrag. Er wordt
daarom liever gesproken van gefixeerde actiepatronen: niet-aangeleerde gedragingen die bij de
gehele soort voorkomen en het gevolg zijn van duidelijk identificeerbare stimuli (bv. zuigreflex).
Gefixeerd actiepatroon = genetisch bepaald gedragspatroon dat bij alle individuen van een
soort voortkomt en dat door een specifieke stimulus wordt ontketend. Het concept van
gefixeerde actiepatronen heeft de verouderde term ‘instinct’ vervangen
Instincten of gefixeerde actiepatronen worden vooral gebruikt om dierlijk gedrag te benoemen.
Echter lijkt de biologie verantwoordelijk te zijn voor een deel van het menselijke gedrag. Het is echter
niet duidelijk hoe nuttig instincten zijn bij het verklaren van complexere gedragingen bij mensen.
9.2.2 De drijfveertheorie
Het concept ‘drijfveer’ werd ontwikkeld als alternatief voor het concept instinct om gedrag met een
sterke biologische basis, beter te verklaren. Een biologische drijfveer wordt gedefinieerd als de
toestand van energie of spanning die een organisme beweegt om een biologische behoefte te
vervullen.