Centrale vraag: Blijkt uit het verbluffende aantal overeenkomsten tussen tweelingen die afzonderlijk
zijn opgegroeid dat we primair een product van onze genen zijn? Of beïnvloeden erfelijkheid en
omgeving samen de groei en ontwikkeling tijdens het gehele leven?
Ontwikkelingspsychologie = specialisme in de psychologie dat de groei, verandering en
consistentie gedurende het leven bestudeert
Bij deze discipline worden vragen gesteld over de wijze waarop we denken, voelen en gedrag
veranderen tijdens verschillende fasen. Deze verandering worden vanuit verschillende invalshoeken
onderzocht: lichamelijke, emotionele, cognitieve en sociaal-culturele.
Nature-nurturevraagstuk = oud meningsverschil over de vraag of erfelijke factoren dan wel
omgevingsfactoren de meeste invloed hebben op ons gedrag en psychische processen
Nature = de bijdrage van onze erfelijke factoren
Nurture = de rol van onze omgeving
Tegenwoordig wordt erkend dat zowel nature als nurture bij bijna alle aspecten van menselijk gedrag
een rol spelen. De primaire vragen zijn dus (1) wat is het relatieve aandeel van elk van deze factoren
en (2) op welke wijze vertonen de twee factoren interactie, zodanig dat uiteindelijk een bepaalde
eigenschap ontstaat?
Interactie tussen nature en nurture betekent dat we allemaal worden geboren met een bepaalde
aanleg (nature) die, als deze wordt blootgesteld aan de juiste invloeden uit onze omgeving (nurture)
het volledige potentieel kan bereiken. Desondanks kunnen we ons nog steeds afvragen welke
eigenschappen het meest door erfelijke factoren worden beïnvloed en welke vooral worden
gevormd door leerprocessen en andere omgevingsfactoren.
Methoden om de effecten van erfelijkheid en omgeving te meten:
Tweelingenonderzoek = onderzoek naar (eeneiige) tweelingen. Door hun ontwikkelingen
met elkaar te vergelijken, hoopt men te ontdekken welke eigenschappen zijn aangeleerd, en
welke aangeboren
Adoptieonderzoek = alternatief voor tweelingenonderzoek waarbij de eigenschappen van
het geadopteerde kind worden vergeleken met de eigenschappen van de biologische
gezinsleden en die van de adopterende gezinsleden
Bij adoptieonderzoek kunnen overeenkomsten met biologische gezinsleden wijzen op invloed van
erfelijke factoren, terwijl overeenkomsten met gezinsleden uit het adoptiegezin doen vermoden dat
de omgeving een rol speelt. Vele psychologische kenmerken (intelligentie, seksuele voorkeur, etc.)
hebben een genetische component.
7.1 Wat kan een pasgeboren baby?
Psychologen hebben ontdekt dat pasgeboren baby’s al over een opmerkelijk aantal in de genen
verankerde vaardigheden beschikken.
Aangeboren vaardigheden = vaardigheden die een kind al beheerst bij de geboorte
,Kernconcept: Pasgeborenen bezitten vaardigheden voor drie elementaire overlevingstaken: voedsel
vinden, contact maken en gevaarlijke situaties vermijden.
De vaardigheden van pasgeborenen zijn weliswaar beperkt, maar ze zijn wel zo effectief dat ze de
overlevingskans verhogen. De basisvaardigheden (zuigreflex, etc.) van de pasgeborene kunnen
worden beschouwd als een soort raamwerk dat wordt uitgebreid met nieuwe en complexere
vaardigheden naarmate het kind groeit en zich ontwikkelt. De ontwikkeling in de verschillende fasen
bouwt voort op vaardigheden en structuren die eerder zijn aangelegd.
7.1.1 Prenatale ontwikkeling
De prenatale periode is de periode tussen conceptie en geboorte. Voor het nieuwe organisme is het
een tijd van koortsachtige ontwikkelingen, waarin het zich voorbereidt op een onafhankelijk leven
buiten de baarmoeder.
Prenatale periode = ontwikkelingsperiode voorafgaande aan de geboorte
Zygote = bevruchte eicel
Embryo = het ongeboren kind gedurende de eerste acht weken na de conceptie
Foetus = het ongeboren kind in de periode tussen het embryonale stadium en de geboorte
Drie fases van prenatale ontwikkeling
Kort na de conceptie begint de zygote, door celdeling te groeien: in de zogeheten germinale fase
splitst de bevruchte eicel zich eerst in tweeën, vervolgens splitsen de twee cellen zich tot vier, en
tegen de tijd dat er ongeveer honderdvijftig cellen zijn, nestelt de zygote zich in de wand van de
baarmoeder. Dit proces duurt in totaal circa een week.
Na de nesteling in de baarmoederwand wordt de zygote, samen met de cellen die zich in de placenta
en andere ondersteunende structureren ontwikkelen, een embryo genoemd. Het embryo is
doormiddel van de navelstreng verbonden met het lichaam van de moeder en wordt beïnvloed door
alles wat de moeder eet, drinkt of waar ze aan wordt blootgesteld.
Tijdens het embryonale stadium bepaalt de genetische aanleg op welke wijze het embryo zich
ontwikkelt. In het differentiatieproces gaan de cellen van het embryo zich specialiseren tot
onderdelen van specifieke orgaansystemen.
Na de achtste week tot aan de geboorte wordt het ongeboren kind een foetus genoemd. Vroeg
tijdens het foetale stadium beginnen spontane bewegingen en basale reflexen te ontstaan. Al tijdens
de veertiende week ontstaat het begin van de grijpreflex, die van adaptief belang is (van belang bij
de aanpassing van het individu aan de omgeving).
Prenatale gevaren: teratogenen
Tijdens de prenatale ontwikkeling is de placenta het orgaan tussen het embryo , later de foetus en
de moeder. Dit orgaan dienst als verbinding tussen moeder en kind, zodat voedingsstoffen
toegevoerd en afvalstoffen afgevoerd kunnen worden. De placenta kan ook enkele schadelijke
stoffen uitfilteren, ook wel teratogenen genoemd (gifstoffen). Voorbeelden hiervan zijn virussen
(HIV), verschillende drugs en andere chemische stoffen, zoals nicotine en alcohol.
, Placenta = orgaan dat het embryo, later foetus, scheidt van de moeder. De placenta vormt
een barrière tussen de bloedbanen, maar laat wel voedings- en afvalstoffen door
Teratogeen = substantie uit de omgeving die schade kan toebrengen aan het ongeboren kind
Foetaal Alcohol Syndroom (FAS): een aantal fysieke en mentale problemen die voorkomen
bij kinderen van wie de moeders excessieve hoeveelheden alcohol dronken tijdens de
zwangerschap
FAS kan zich voordoen bij kinderen van moeders die tijdens de zwangerschap alcohol drinken. FAS is
een belangrijke oorzaak voor mentale handicaps. Motorische coördinatie is ook vaak slecht, slecht
concentreren en hyperactief. Alcohol zorgt ervoor dat leerprocessen, ontwikkeling van
taalvaardigheden, geheugen en andere cognitieve en lichamelijke functies worden belemmerd.
Blootstelling aan nicotine en sommige kruiden en supplementen kan een negatieve invloed op de
foetus hebben. Er is een grotere kans op ADHD, leerstoornissen en laag geboortegewicht.
7.1.2 De neonatale periode: vaardigheden van het pasgeboren kind
De neonatale periode heeft betrekking op de eerste maand na de geboorte. Tegen de tijd dat een
pasgeborene ter wereld komt, heeft een groot deel van de neurale en sensorische ontwikkeling al
plaatsgevonden.
Neonatale periode = de eerste maand na de geboorte
Sensorische vaardigheden van de pasgeborene
Een pasgeboren kind reageert op smaak, hoe zoeter, des te regelmatiger en sterker de zuigbeweging.
Het schrikt weg van de smaak van citroen en garnalen. Al deze responsen maken deel uit van het
vermogen dat de pasgeborene heeft om gezonde voeding binnen te krijgen.
Het is genetisch bepaald dat baby’s menselijke stemmen verkiezen boven andere geluiden, en
menselijke gezichten verkiezen boven de meeste andere visuele patronen. De bijziendheid is ideaal
om te kijken naar gezichten. Al na enkele dagen kunnen ze het gezicht van de moeder herkennen. De
visuele systemen ontwikkelen zich echter zeer snel en rond de zevende week zij bij een zuigeling de
visuele banen en de motorische coördinatie ontstaan die nodig zijn om oogcontact met een
verzorger te onderhouden (belangrijk bij het vormen van een relatie).
Baby’s kunnen kleren zien, maar het vermogen om kleuren te onderscheid wordt rond twee
maanden aanzienlijk beter. Ze geven de voorkeur aan contrasterende voorwerpen of kleuren. Met
drie maanden kan er diepte waargenomen worden en beschikt de baby in grote lijnen over dezelfde
visuele mogelijkheden als een volwassene. Ook blijken ze in staat tot een rudimentair tellen. Dit is de
basis voor de ontwikkeling van complexere vaardigheden, zoals rekenen.
Pasgeborenen hebben ook sterke auditieve voorkeuren: ze geven de voorkeur aan de menselijke
stem boven andere geluiden en de geluiden en ritmen van hun eigen taal boven die van vreemde
talen. Ze vertonen ook grotere aandacht voor vrouwelijke stemmen dan voor mannelijke stemmen
en binnen enkele weken na geboorte beginnen ze de stem te herkennen. Daarom vormt nurture, in
de vorm van eerdere ervaringen, mogelijk de belangrijkste oorzaak van de auditieve voorkeur van
pasgeborenen.