Onderzoekseenheden
Een onderzoekseenheid of element kan een respondent zijn, of een huishouden, bedrijf of
gemeente.
Variabele
Een eigenschap van een respondent, een kenmerk dat geprobeerd wordt vast te leggen.
Bijvoorbeeld: als de vraag luid; wat is uw geslacht? Dan wordt hier het variabel geslacht in kaart
gebracht.
Waarde
Als bij een vraag als wat is uw geslacht? De antwoorden man/vrouw zijn. Dan zijn man/vrouw de
waarde. Dus een waarde is de mogelijke uitkomst van een variabele.
Populatie
De totale groep elementen die het onderwerp van onderzoek zijn bij een bepaald onderzoeksproject.
Steekproef
Als het niet mogelijk is om de hele populatie te onderzoeken trek je een steekproef. Dus je
onderzoekt een bepaald deel van de populatie.
Week 1
Kwalitatief vs. kwantitatief onderzoek
Kwalitatief onderzoek Kwantitatief onderzoek
Indicatief Representatief
Kleinschalig Grootschalig
Beschrijvende data Numerieke data
Open vragen Gesloten vragen
Subjectieve wijze van onderzoek Objectieve wijze van onderzoek
Kwalitatieve methoden: diepte interviews, groepsdiscussies en participerende observaties
Kwantitatieve methoden: enquêtes en gestructureerde observaties
Statistiek: wetenschap van het verzamelen, organiseren en interpreteren van numerieke gegevens.
Zoals:
- Is de klant tevreden met het product, de service en de faciliteiten van ons bedrijf?
- Wat zijn de meest winstgevende bestemmingen voor een touroperator?
- Wat voor mensen bezoeken ons evenement? (welke leeftijd, geslacht, etc.?)
- Welke promotiecampagne is het meest effectief?
- Wat zijn de relevantie trends in onze sector?
Twee takken van statistiek
1. Beschrijvende statistiek: focust op het verzamelen, samenvatten, presenteren en analyseren
van een set gegevens. Met tabellen, grafieken, modus, mediaan en gemiddelde.
2. Toetsende (inductieve) statistiek: gebruikt gegevens die bij een kleine groep verzameld zijn
(steekproef) om conclusies te trekken over een grotere groep (populatie)
,Week 2
Nominaal meetniveau: een variabele of kenmerk uit een enquête zoals: geslacht, omdat er
categorieën zijn (man/vrouw), maar er is geen volgorde in de categorieën. Het maakt niet uit of je
eerst man of eerst vrouw neerzet.
Ordinaal meetniveau: als de antwoorden categorieën zijn, maar wel in volgorde gezet moeten
worden. Bijvoorbeeld als je leeftijd in multiple choice zet. Dit moet in volgorde gezet worden anders
staat het raar.
Ratio niveau: als er een absoluut nulpunt is hoeveel geld geeft u uit aan bijvoorbeeld eten en
vermaak
Interval niveau: geen absoluut nulpunt
Scale (numeriek): alle open vragen waar je antwoord moet geven met een cijfer. Bijvoorbeeld: wat is
uw leeftijd?
Numerieke variabelen kunnen ook worden verdeeld in discreet of continu
Discrete variabele:
- Kan een aftelbaar aantal numerieke waarden op een schaal aannemen
- Geen waarde tussen twee successieve waarden.
Bijvoorbeeld: aantal televisies in een huishouden etc. Want je kunt geen halve tv hebben
Continu variabele:
- Kan in theorie elke waarde aannemen
- Altijd waarden mogelijk tussen twee successieve waarden
Bijvoorbeeld: leeftijd, gewicht. Hier kunnen wel halve cijfers voor gebruikt worden
Frequentietabel
Tel het aantal cases voor elke waarde van de variabele
Voorbeeld: hoeveel mensen hebben een 8 als cijfer?
, N staat bij statistiek voor aantal
Relatieve frequenties:
Frequenties als een proportie of percentage van het totaal aantal geldige antwoorden (N)
Dus bijvoorbeeld 9 van de 75 mensen hebben als cijfer een 8 reken je dat als volgt uit:
9/75x100%=12% van alle studenten hadden een 8
Cumulatieve Absolute frequentie:
Hoeveel menen hadden het cijfer 5 of minder, tel je elke keer op in hele cijfers ( dus je kijkt naar
absolute frequentie)
Cumulatieve relatieve frequentie:
Hoeveel mensen hadden het cijfer 5 of minder, tel je op in procenten ( kijk je naar relatieve
frequentie)
Soms zijn er te veel verschillende waarden om een inzichtelijk overzicht te geven, in het bijzonder bij
metrische gegevens (scale)
Oplossing groeperen van een range waarden in klassen (of categorieën)
Bijvoorbeeld:
Leeftijd Absolute frequentie
20 - <45 20
45 - <55 10
55 - <65 12
65 - <85 10
Totaal N=52
Klassenbreedte:
Bovengrens – ondergrens
Klasse middenpunt:
(ondergrens + bovengrens) : 2
Frequentiedichtheid bepalen
Je moet de frequentie relateren aan de klassenbreedte, door de frequentiedichtheid te gebruiken
Frequentiedichtheid: absolute frequentie : klassenbreedte
EN: absolute frequentie = frequentiedichtheid x klassenbreedte
Pie charts gewoonlijk het best met een beperkt aantal categorieën
Bar charts categoriale (kwalitatieve) variabelen
Histograms metrische (kwantitatieve) variabelen