1. Frankrijk voor de Franse Revolutie
1. Sinds de middeleeuwen was Frankrijk een echte standensamenleving, leg uit:
Er waren drie standen:
1. De geestelijkheid taak: bidden voor de veiligheid van iedereen.
2. De adel taak: strijden voor de veiligheid van iedereen.
3. De rest van de bevolking
2. Hoe is de rest van de bevolking verdeeld?
De toplaag bestond uit de bourgeoisie of rijke burgerij, zoals kooplieden, rechters en bankiers.
Ongeveer 85% van de bevolking bestond uit arme loonarbeiders, kleine handelaren en winkeliers, maar
vooral uit boeren.
3. Welke privileges hadden de eerste en de tweede stand?
Zij kregen belangrijke banen in de kerk, het bestuur en het leger en ze hoefden geen belastingen te betalen.
4. Waarom kan een gewone boer of burger nooit een edelman worden?
Dat was je van geboorte. Hoge geestelijken kwamen weer uit de adel voort.
5. Waardoor kwam de ontevredenheid van de derde stand?
De mensen van de derde stand hadden geen privileges en moesten wel belastingen betalen aan de koning
en de Kerk. De bourgeoisie (=rijke burgers) vonden dat ze als belastingbetalers ook wel iets te zeggen
mochten hebben. Boeren waren na de middeleeuwen wel vrij maar werkten toch nog verplicht en gratis op
het land van een heer. Door strenge winters en tegenvallende oogsten waren er hoge graanprijzen en
hongersnood onder de armen. Daardoor waren veel boeren ontevreden.
6. Welke problemen waren er nog meer naast de ontevredenheid van de derde stand?
De Franse koning had door het dure hofleven en de kostbare oorlogen grote geldnood. De regering liep door
de privileges van de adel en de Kerk veel geld mis.
7. Hoe wilde Lodewijk XVI de problemen oplossen?
Hij wilde belastingverhoging. Hij riep daartoe de drie standen bijeen in de Staten-Generaal in 1789.
8. Wat valt je op als je bron 2 op blz. 30 goed bekijkt?
De derde stand is 85% van de Franse bevolking en heeft maar 40% van het grondbezit.