Hoorcollege Week 6
Rechtsvorming: tussen rechter en wetgever
Taak van de rechter
Klassieke opvatting
De rechter:
- Is onderdeel van het openbaar lichaam staat
- Geldt daarbinnen als onafhankelijke en onpartijdige derde
- Die in een concreet geval vaststelt wat rechtens is
- En daaraan voor partijen de gevolgen verbindt die voortvloeien uit het recht
Dit is de opvatting geïnspireerd op Montesquieu en zijn trias politica. De rechter was volgens
hem de mond van het recht. De wetten moesten zo duidelijk zijn dat de rechter alleen maar
het recht uit hoeft te spreken -> “rechtspraak”.
De Wet Algemene Bepalingen zegt ook iets over de taak van de rechter. De rechter is
gebonden aan het recht en ook voor hem geldt het legaliteitsbeginsel. De rechter mag niet
zijn eigen oordelen over wat recht zou moeten zijn toepassen, alleen het recht. De rechter
spreekt recht op basis van het recht. In sommige gevallen is er interpretatie van
wetsbepalingen vereist, dan kan de rechter zijn eigen oordeel wel laten doorschemeren,
maar dit is niet het uitgangspunt. De rechter maakt zelf geen regels. De uitspraken van
rechters gelden in principe voor dat geval en niet voor alle gevallen daarna. Je kunt hier ook
in zien dat wij in Nederland geen precedentwerking hebben zoals in Amerika. In principe is
art. 12 Wet algemene bepalingen bedoelt om zich af te zetten tegen zo’n stelsel van
precedentwerking. Er is wel een zeker stelsel van precedentwerking, maar de rechter mag in
een bepaald geval zijn uitspraak wel anders doen dan de Hoge Raad eerder heeft bepaald. In
principe is elke rechter vrij om juridische afwegingen te maken. De meeste rechters houden
zich echter wel aan de lijn die is uitgezet door de hogere rechter. De rechters doen dit
vrijwillig. Een rechter moet hoe dan ook het geschil beslechten, anders kan hij voor
rechtsweigering vervolgd worden. (Zie ook vorige week).
Art. 120 Gw
- De rechter treedt niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten
o De bedoeling van art. 11 en 12 Wet algemene bepalingen is bedoeld om te
voorkomen dat de rechter op de stoel van de wetgever gaat zitten, het is
bedoeld om een zekere machtenscheiding te garanderen. Dit is ook een van
de grondslagen van art. 120 Gw. De rechter past art. 120 Gw ook toe in
gevallen die strikt genomen niet onder art. 120 Gw vallen.
Ook de vraag of een wet op de juiste (door de Grondwet omschreven)
wijze tot stand gekomen is, valt onder art. 120 Gw
Niet alleen de inhoud, maar ook de totstandkoming van een wet en de
vraag of er überhaupt een wet mag komen, valt onder art. 120 Gw
Het woord ‘wet’ in de Grondwet betekent altijd wet in formele
zin -> art. 81 Gw: de vaststelling van wetten geschiedt altijd
door de Staten-Generaal gezamenlijk
o Dus alleen wetten in formele zin mogen niet getoetst
worden aan de Grondwet
Rechtsvorming: tussen rechter en wetgever
Taak van de rechter
Klassieke opvatting
De rechter:
- Is onderdeel van het openbaar lichaam staat
- Geldt daarbinnen als onafhankelijke en onpartijdige derde
- Die in een concreet geval vaststelt wat rechtens is
- En daaraan voor partijen de gevolgen verbindt die voortvloeien uit het recht
Dit is de opvatting geïnspireerd op Montesquieu en zijn trias politica. De rechter was volgens
hem de mond van het recht. De wetten moesten zo duidelijk zijn dat de rechter alleen maar
het recht uit hoeft te spreken -> “rechtspraak”.
De Wet Algemene Bepalingen zegt ook iets over de taak van de rechter. De rechter is
gebonden aan het recht en ook voor hem geldt het legaliteitsbeginsel. De rechter mag niet
zijn eigen oordelen over wat recht zou moeten zijn toepassen, alleen het recht. De rechter
spreekt recht op basis van het recht. In sommige gevallen is er interpretatie van
wetsbepalingen vereist, dan kan de rechter zijn eigen oordeel wel laten doorschemeren,
maar dit is niet het uitgangspunt. De rechter maakt zelf geen regels. De uitspraken van
rechters gelden in principe voor dat geval en niet voor alle gevallen daarna. Je kunt hier ook
in zien dat wij in Nederland geen precedentwerking hebben zoals in Amerika. In principe is
art. 12 Wet algemene bepalingen bedoelt om zich af te zetten tegen zo’n stelsel van
precedentwerking. Er is wel een zeker stelsel van precedentwerking, maar de rechter mag in
een bepaald geval zijn uitspraak wel anders doen dan de Hoge Raad eerder heeft bepaald. In
principe is elke rechter vrij om juridische afwegingen te maken. De meeste rechters houden
zich echter wel aan de lijn die is uitgezet door de hogere rechter. De rechters doen dit
vrijwillig. Een rechter moet hoe dan ook het geschil beslechten, anders kan hij voor
rechtsweigering vervolgd worden. (Zie ook vorige week).
Art. 120 Gw
- De rechter treedt niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten
o De bedoeling van art. 11 en 12 Wet algemene bepalingen is bedoeld om te
voorkomen dat de rechter op de stoel van de wetgever gaat zitten, het is
bedoeld om een zekere machtenscheiding te garanderen. Dit is ook een van
de grondslagen van art. 120 Gw. De rechter past art. 120 Gw ook toe in
gevallen die strikt genomen niet onder art. 120 Gw vallen.
Ook de vraag of een wet op de juiste (door de Grondwet omschreven)
wijze tot stand gekomen is, valt onder art. 120 Gw
Niet alleen de inhoud, maar ook de totstandkoming van een wet en de
vraag of er überhaupt een wet mag komen, valt onder art. 120 Gw
Het woord ‘wet’ in de Grondwet betekent altijd wet in formele
zin -> art. 81 Gw: de vaststelling van wetten geschiedt altijd
door de Staten-Generaal gezamenlijk
o Dus alleen wetten in formele zin mogen niet getoetst
worden aan de Grondwet