Hoorcollege 1
Prevalentie diabetes mellitus
Prevalentie = hoe vaak komt deze ziekte voor.
Het aantal gevallen van diabetes mellitus neemt de afgelopen jaren al toe. Dit wordt met name
veroorzaakt door mensen met diabetes mellitus type 2. Diabetes mellitus type 1 blijft vrijwel
constant, neemt nauwelijks toe.
Diabetes mellitus hangt heel duidelijk samen met:
- Leeftijd; hou ouder, hoe meer mensen met DM. (>75jr heeft 17% DM)
- Gewicht; hoe zwaarder, hoe meer mensen met DM. (onder mensen met obesitas heeft 16%
DM)
Ouderen en mensen met overgewicht hebben dus vaker diabetes mellitus.
Ook eerstegeneratieallochtonen, lager opgeleiden en mensen met een lager welvaartsniveau
hebben vaker diabetes mellitus. Deze relatie is minder duidelijk dan met leeftijd en gewicht maar hij
is wel aanwezig.
Uit onderzoek van het CBS op basis van zelfrapportage bleek 4,8 procent in Nederland aan te geven
in 2015 diabetes mellitus te hebben. Uit andere bronnen bleek dat 4,7 procent (800.000) in 2014 een
diabetesmiddel kreeg. In 2014 waren er ongeveer 1.100.000 mensen met diabetes mellitus bekend
bij huisarts.
Pathofysiologie DM
DM is een stofwisselingsziekte die gepaard gaat met een te hoog glucosegehalte in het bloed =
hyperglycemie.
Anatomie pancreas (=alvleesklier)
De pancreas ligt tussen de maag, het duodenum en de milt.
De pancreas heeft 2 verschillende functies:
- Endocriene functie: productie en afgifte van insuline & glucagon voor de
bloedglucoseregulatie. De endocriene cellen vormen samen groepen, die ook wel de
eilandjes van Langerhans worden genoemd. Deze eilandjes liggen verspreid tussen de
exocriene cellen. De eilandjes bevatten Alfa-cellen (vormen glucagon) en Bètacellen (vormen
insuline).
- Exocriene functie: productie en afgifte van pancreassap (spijsverteringsenzymen) aan het
duodenum.
Als het bloedsuikergehalte stijgt dan geven de bètacellen insuline af. Door de insuline is er:
- Een toename in snelheid van het glucosetransport naar de doelcel
- Er wordt meer glucose verbrand
, - Glucose wordt omgezet en opgeslagen in glycogeen (in lever en skeletspieren)
- Toename aminozuuropname en eiwitsynthese
- Toename vetsynthese (in vetweefsel)
Diagnose DM
Kan vastgesteld worden door twee verschillende tests:
- Nuchter de bloedsuikerwaardes meten
- Glucosewaarden meten twee uur na het drinken van suikerwater (= orale
glucosetolerantietest)
IFG = Impaired fasting glucose = verstoorde nuchtere glucosewaarde
IGT = Impaired glucose tolerance = verminderde glucosetolerantie
Nuchtere Glucosewaarden
glucosewaarde twee uur na het
(mmol/L) in drinken van
bloedplasma suikerwater
< 6,1 Normaal < 7,8 Normaal
6,1-7,0 IFG 7,8-11,1 IGT
>7,0 Diabetes >11,1 Diabetes
De mensen die IFG of IGT hebben moeten oppassen dat dit geen DM wordt. Met de juiste
maatregelen kan dit verhinderd worden, hier moeten leefstijladviezen gegeven worden.