Productie organisatie: productiemiddelen (gebouwen, computers, arbeidstijd etc.) omzetten in
goederen en/of diensten
Financieel economisch zelfstandig: ingaande geldstromen (betaling klanten) zijn meer dan de
uitgaande geldstromen (kosten)
Financieel economisch onzelfstandig: lasten worden betaald door bijv. de overheid
Kenmerken van een onderneming:
Uitgaven en inkomsten i.v.m. omzettingsproces zijn onzeker
Streven naar een zo groot mogelijk winst
(overheidsbedrijven voldoen niet aan deze kenmerken)
Overheidsbedrijf: transformatieproces, op financieel-economisch zelfstandige wijze
Non-profitorganisaties: streeft niet naar winst, financieel onzelfstandig (scholen, ziekenhuizen, bieb)
Privatiseren: particuliere sector neemt overheidsbedrijven over (bijv. NS)
Economie: het maken van keuzes waar geld een rol speelt
Accounting: verzamelen, analyseren en verstrekken van financiële informatie
Financial accounting: het verstrekken van gegevens, externe verslaglegging
Management accounting: het verstrekken van gegevens, interne verslaglegging
AFM: Autoriteit Financiële Markten
Financiering:
Eigen vermogen: afkomstig van de eigenaren van het bedrijf.
= totaal activa – totaal vreemd vermogen
Vreemd vermogen: een lening van een bank
Bedrijfseconomie (vakgebieden):
Financial accounting
Management accounting
Financiering
Externe relaties: leveranciers, klanten, concurrenten etc.
(Figuur 1.4, blz. 25)
Bedrijfsadministratie: vastleggen en verwerken van financiële en niet financiële gegevens
(ziekteverzuim, verjaardagen en indiensttreding)
Financiële administratie: vastleggen van debiteuren/crediteuren, boekhouden (openstaande
posten), levert basisinformatie voor de managementinformatie, goederenstroom volgen van inkoop
tot verkoop