WC1 AF Intercellulaire communicatie en het hormoonstelsel
Martini, hoofdstuk 10, Het hormoonstelsel.
de verschillen aangeven tussen de controle van het endocriene systeem en het neuronale
systeem
de intercellulaire interactie tussen aangrenzende en naburige cellen uitleggen
het ‘Tweede Signaalstof mechanisme’ uitleggen
de intracellulaire binding en werking van steroïdhormonen uitleggen
de eigenschappen van klieren uitleggen
uitleggen hoe de productie van een hormoon kan worden gestimuleerd
uitleggen hoe hormonen uit de bloedbaan verdwijnen
de rol van de hypothalamus en de hypofyse bij de secretie van hormonen omschrijven
uitleggen welke hormonen de hypofyse produceert en wat hun werking is
de rol van de schildklier bij de basale stofwisseling omschrijven
uitleggen welke hormonen betrokken zijn bij de basale stofwisseling
de rol van de bijnierschors omschrijven
de drie groepen steroïdhormonen die de bijnierschors produceert benoemen
de regulering van de plasmaglucoseconcentratie uitleggen.
WC2 AF Het Urinaire Stelsel
Martini hoofdstuk 18.
aangeven wat de drie belangrijkste functies van urinaire stelsel zijn
de bouw en functie van een nefron omschrijven en de processen beschrijven die en rol spelen
bij de urinevorming
aangeven wat de nettofiltratiedruk is
aangeven wat de relatie is tussen de druk in de glomeruluscapillairen en de arteriële bloeddruk
aangeven wat de rol van de juxtaglomerulaire cellen is
aangeven hoe de regulatie van de osmolariteit van het bloed en het weefselvocht verloopt
aangeven hoe de bloeddruk over een langere periode wordt geregeld
aangeven waar zich het water in het lichaam bevindt
weer geven wat een vochtbalans, een mineralenbalans (mbt natrium en kalium) en een zuur-
basebalans is
de buffersystemen verklaren die de pH van de intracellulaire en extracellulaire vloeistof
constant houdt
de structuren beschrijven die accommodatie en convergentie mogelijk maken en uitleggen hoe
deze systemen werken
uitleggen wat de accommodatie-convergentie reactie (dichtbij-reflex / dichtbij synkinesie) is en
hoe het ontstaat
WC5 AF Hart
de functie van het hart en de bloedsomloop uitleggen
de anatomie en de fysiologie van het hart beschrijven mbt de kleppen, het pericardium en de
coronairarterie
de elektrische eigenschappen van het hartspierweefsel uitleggen
uitleggen hoe het standaard ecg is opgebouwd
de verschillende fasen van de hartcontractie uitleggen
de regulering van het hartminuutvolume uitleggen
de functie en werking van de barosensoren uitleggen
,WC6 AF Bloedvaten
Bestudeer de volgende literatuur:
Martini hoofdstuk 13 tot en met paragraaf 13.6.
weergeven uit welke drie lagen de wanden van de bloedvaten bestaan
weergeven wat arteriosclerose en atherosclerose is
de verschillende type bloedvaten kunnen uitleggen op basis van structuur en functie
uitleggen hoe de windketelfunctie van de grote arteriën zorgt voor een min of meer constante
stroomsnelheid van het bloed
aangeven welke factoren de arteriële bloeddruk bepalen
uitleggen hoe de meting van de arteriële bloeddruk in zijn werk gaat
aangeven hoe de bouw en functie van de capillairen is
de balans tussen filtratie en resorptie in het capillaire stelsel uitleggen
uitleggen wat oedeem is
uitleggen hoe de korte termijnregeling en de lange termijnregeling van de bloeddruk is
Verklaren op welke wijze het bloedvatenstelsel reageert op lichaamsbeweging of bloeding
de functie en werking van de barosensoren uitleggen
WC8 AF Bloed en Afweer
Martini, hoofdstuk 11 en hoofdstuk 14.
de samenstelling van het bloedplasma weergeven
de functies van het bloed benoemen
de bloedstolling uitleggen
een beschrijving geven van de structuur van de lymfevaten
het belang van de lymfevaten aangeven
de histologie van lymfeklieren beschrijven
de functies van lymfeknopen uitleggen
de functies van de oppervlaktemembranen omschrijven
onderscheid maken tussen niet-specifieke en specifieke verdedigingsmechanisme
het belang van de niet-specifieke afweer uitleggen
de verschillende stappen van een ontstekingsreactie noemen en elke stap toelichten
uitleggen hoe het complement bijdraagt aan de afweer
uitleggen wat antigenen zijn
de invloed van een antigeen op het immuunsysteem uitleggen
de rol van de antigeenpresentatie bij de afweer uitleggen
het begrip en de werking van ‘humorale immuunreacties’ uitleggen
sensibilisering, activering en differentiatie van B-cellen uitleggen
de functie van antistoffen beschrijven
de primaire en de secundaire immuunreactie uitleggen
uitleggen hoe T-lymfocyten bijdragen aan de specifieke afweer
het begrip ‘immuuncompetent’ uitleggen
allergieën kunnen uitleggen
WERKCOLLEGES
Maak per hoorcollege de opdrachten uit de reader
, HET ENDOCRIENE STELSEL
HOMEOSTASE & COMMUNICATIE
Om de homeostase te handhaven is communicatie nodig tussen cellen.
Communicatie dichtbij
o Chemische signaalstoffen afgeven aan naburige cellen
o De functies van weefsels op plaatselijke niveau worden gecoördineerd
Communicatie over afstanden
o Zenuwstelsel
Te vergelijken met een ‘telefoonsysteem’
Bron & en bestemming zijn heel specifiek en het effect is van korte duur
o Endocriene stelsel
Te vergelijken met ‘geadresseerde brieven’ en werkt in het bloedvatenstelsel
als ‘postbode’
Chemische signaalstoffen, de hormonen, worden in het bloed
afgegeven en hebben specifieke doelcellen.
Doelcellen bevatten receptoren die nodig zijn om de hormonale
berichten te lezen.
Langdurige communicatie
o Vergelijking zenuwstelsel en endocrienestelsel
Afgifte van chemische stoffen die binden aan receptoren en doelcellen
Gemeenschappelijke signaalstoffen (bijv noradrenaline en adrenaline)
Voornamelijk via negatieve terugkoppeling gereguleerd
Coördineren en reguleren activiteiten en handhaven homeostase
DE WERKING VAN HORMONEN
Exocriene cellen geven klierproducten op een epitheeloppervlak af.
Endocriene cellen (hormonen) geven klierproducten direct af aan de extracelullaire vloeistof.
Hormonen zijn chemsiche signaalstoffen die in het ene weefsel worden afgegeven en door de
bloedstroom naar doelcelle in andere weefsels worden vervoerd.
DE STRUCTUUR VAN HORMONEN
Aminozuurderivaten
o Kleine moleculen die wat bouw betreft op aminozuren lijken.
o Adrenaline, noradrenaline, schildklierhormonen, melatonine
Peptidehormonen
o Bestaan uit ketens van aminozuren
o Grootste groep die alle hormonen van hypothalamus, hypofyse, hart, nieren, thymus,
spijsverteringskanaal en pancreas omvat
o ADH, oxytocine, groeihormoon, prolactine, insuline enz.
Vetderivaten
o Steroïdhormonen
Vetten afgeleid van cholesterol
Afgegeven door voortplantingsorganen en bijnieren
Onoplosbaar in water, dus worden in het bloed aan specifieke transporteiwitten
gebonden
o Eicosanoïden
Vetzuur afgeleid van arachidonzuur
Coördineren plaatselijke celactiviteiten en zijn van invloed op enzymatische
processen in extracellulaire processen (bijv bloedstolling)
Prostaglandinen
,MECHANISMEN VOOR HORMONALE WERKING
Eiwitten bepalen de bouw en functie van een cel. Structurele eiwitten bepalen algemene vorm en
inwendige structuur. Enzymen regelen stofwisseling.
Hormonen wijzigen het functioneren van cellen doordat ze de indentiteit, activiteit, plaats of
hoeveelheid van belangrijke enzymen en structurele eiwitten in de doelcellen wijzigen. Een hormoon
kan alleen invloed op een doelcel met de juiste receptoren.
Hormoonwerking op de Plasmamembraan
Niet-steroïdhormonen zoals adrenaline, noradrenaline,
peptidehormonen en eicosanoïden binden zich aan
membraanreceptoren.
Ze werken als eerste signaalstof die een prikkel geeft voor de
vorming van een tweede signaalstof in het cytoplasma.
o De tweede signaalstof kan een enzym remmen of
activeren.
o Tweede signaalstoffen: cyclisch AMP (cAMP),
calciumionen, cyclisch GMP, guanosinetrifosfaat
(GTP)
De schakel tussen eerste- en tweede signaalstof omvat meestal
een G-eiwit die aan een membraanreceptor is gekoppeld.
o Het G-eiwit wordt geactiveerd als een hormoon zich
aan een membraanreceptor bindt.
Nettoresultaat is een verandering van de
stofwisselingsactiviteiten van de cel.
De tweede signaalstof cyclisch AMP (cAMP) wordt gevormd
wanneer een G-eiwit de eynzym adenylaatscylclase activeerd.
Adenylaatscyclase zet ATP om in cAMP.
o Effect: Door fosfolysering worden ionenkanalen geopend en enzymen geactiveerd.
Hormooninteractie met Intracellulaire Receptoren
Steroïdhormonen en schildklierhormonen gaan door de plasmamembraan heen en binden
zich aan receptoren in de cel.
Steroïdhormonen diffunderen snel door de plasmamembraan en binden zich aan receptoren
in het cytoplasma.
o Het hormoon-receptorcomplex dat daarbij ontstaat, activeert of inactiveert vervolgens
specifieke genen in de cel.
o Zo wordt mRNA sneller of trager getranscribeerd, waardoor de structuur of
functioneren van de cel wordt gewijzigd.
Schildklierhormonen gaan door de plasmamembraan heen via diffusie of
actieftransportmechanisme en binden zich aan receptoren in de celkern of op mitochondriën.
o De hormoon-receptorcomplex binnen de celkern activeren genen of veranderen de
snelheid waarmee mRNA wordt getranscribeerd.
o Toename stofwisselingsactiviteit
,AFGIFTE EN TRANSPORT VAN HORMONEN
In het bloed kunnen de hormonen vrij circuleren of aan speciale transporteiwitten zijn gebonden.
Vrije hormonen blijven minder dan een uur functioneel en worden geïnactiveerd wanneer ze
De bloedstroom uit diffunderen en zich aan receptoren binden
Door bepaalde cellen in de lever of nier worden geabsorbeerd en afgebroken
Worden afgebroken door enzymen
Gebonden hormonen bijven veel langer in het bloed aanwezig doordat ze aan transporteiwitten zijn
gebonden.
Steroïdhormonen en schildklierhormonen
REGULERING VAN DE HORMONALE ACTIVITEIT
Hormonale activiteit wordt met name via negatieve terugkoppeling gereguleerd.
Humorale (‘vloeibare’) prikkels
Verandering van de samenstelling van de extracellulaire vloeistof.
Voorbeeld: Regulering calciumconcentratie van het bloed
o Als calciumconcentratie bloed daalt, wordt prathyroïdhormoon afgegeven.
Calciumconcentratie stijgt.
o Als calciumconcenratie bloed stijgt, wordt calcitonine afgegeven.
Calciumconcentratie daalt weer.
Hormonale prikkels
Verandering van de concentratie van hormonen in het bloed
Neurale prikkels
Onstaan wanneer een neurotransmitter aankomt bij een verbinding tussen een zenuw en
klier.
Hypothalamus
EEN OVERZICHT VAN DE ENDOCRIENESTELSEL
, HYPOTHALAMUS
De hypothalamus heeft een belangrijke verbinding tussen het zenuwstelsel en het endocriene stelsel.
Functioneert zelf als een endocrien orgaan.
o Twee hormonen – ADH en oxytocine – worden langs axonen naar de lobus posterior
van de hypofyse getransporteerd. Daar worden ze in de circulatie gebracht.
Scheidt twee soorten regulerende hormonen af die endocriene cellen in de lobus anterior van
de hypofyse reguleren.
o Releasing hormones (RH) stimuleren synthese en secretie van hypofysehormonen.
o Inhibiting hormones (IH) voorkomen de synthese en secretie van hypofysehormonen.
Bevat centra van het autonome zenuwstelsel die de endocriene cellen van de medullae
adrenales (het bijniermerg) via sympathische innervatie reguleren.
o Als het sympathische zenuwstelsel wordt geactiveerd, geeft het bijniermerg hormonen
aan het bloed af.
, HYPOFYSE
De hypofyse is een
hormoonklier die
negen verschillende
hormonen afgeeft. Al
deze hormonen zijn
peptiden of kleine
eiwitten die zich aan
membraanrecpetoren
binden. Al deze
hormonen maken
gebruik van cAMP
als tweede signaalstof.
HYPOFYSEVOORKWAB
De hypofysevoorkwab (adenohypofyse) bevat endocriene cellen die door een uitgebreid netwerk van
haarvaten zijn omgeven. In dit netwerk worden de hormonen aan het bloed afgegeven.
Poortadersysteem van de Hypofyse
De hypofysevoorkwab heeft een zeer
ongebruikelijke organisatie van bloedvaten. Het
hele complex wordt een poortadersysteem
genoemd.
Neuronen van de hypothalamus geven
hormonen af in de hypofyse.
De hormonen komen terecht in een
netwerk van capillairen of haarvaten,
die zich vervolgens verenigen tot grotere
vaten die een tweede netwerk van
capillairen vormen.
Bloedvaten die twee haarvatennetten
verbinden worden poortaders genoemd.
Regeling van Hypofysevoorkwab door de
Hypothalamus
De regulerende hormonen van de
hypothalamus – releasing hormone (RH) of
inhibiting hormone (IH) – worden via het
poortadersysteem naar de hypofysevoorkwab
vervoerd. Deze hormonen stimuleren of
remmen de endocriene cellen in de
hypofysevoorkwab.
Snelheid gereguleerd via negatieve
terugkoppeling.
Veel van deze regulerende hormonen
worden tropinen genoemd.
, Hormonen van de Hypofysevoorkwab
De hypofysevoorkwab vormt zeven hormonen. De eerste vier reguleren de vorming van hormonen in
andere hormoonklieren.
Thyroidstimulerend Hormoon (TSH) of Thyrotropine
o Doelorgaan: Schildklier
o Functie: Activeert de afgifte van schildklierhormonen
o Wanneer: Afgegeven in reactie op thyrotropine releasing hormone (TRH) van de
hypothalamus.
o Regulering: Negatieve terugkoppeling
Adrenocorticotroop Hormoon (ACTH) of Corticotropine
o Doelorgaan: Cortex Adrenalis (Bijnierschors)
o Functie: Activeerd de afgifte van steroïdhormonen (glucocorticoïden) van de
bijnierschors
o Wanneer: Afgegeven in reactie op corticotropine releasing hormone (CRH) van de
hypothalamus
o Regulering: Negatieve terugkoppeling
Gonadotropinen reguleren de activiteiten van de mannelijke en vrouwelijke geslachtsorganen of
gonaden. De hypofysevoorkwab maakt twee gonadotropinen: FSH en LH.
Follikelstimulerend hormoon (FSH)
o Doelorganen: Ovaria en Testes
o Functie:
Bij de vrouw
Bevordert de ontwikkeling van follikels (en eicellen)
Stimuleert de afgifte van oestrogenen (steroïdhormonen van de
ovaria)
Bij de man
Stimuleert de vorming van spermacellen
o Wanneer: Afgegeven in reactie op gonadotropine releasing hormone (GnRH) van de
hypothalamus
o Regulering: Negatieve terugkoppeling
Inhibine, afgegeven door de testes en ovaria, remt de afgifte van FSH en
GnRH
Luteïniserend Hormoon (LH)
o Doelorgaan: Ovaria en Testes
o Functie:
Bij de vrouw
Stimuleert ovulatie (vorming van voortplantingscellen bij de vrouw).
Bevordert afgifte van oestrogenen en progestativa (zoals
progesteron) in de ovaria.
o Bereiden het lichaam op mogelijke zwangerschap voor
Bij de man
Wordt soms interstitiëlecellenstimulerend hromoon (ICSH)
genoemd
Zet de interstitiële cellen van de teste aan tot de vorming van
androgenen (zoals testosteron).
o Wanneer: Afgegeven in reactie op gonadotropine releasing hormone (GnRH) van de
hypothalamus
o Regulering: Negatieve terugkoppeling
Oestrogenen, progestinen en androgenen remmen de productie van GnRH