Niet specifieke afweer -> werkt tegen alle
soorten bacteriën
Specifieke afweer -> werkt tegen één soort
bacterie
Niet specifieke afweer:
Fysieke barrières:
- Huid
- Slijmvliezen
Interne verdediging:
- Fagocyterende cellen
- NK cells
- Ontstekingsreactie
- Complement /interferon
- Koorts
Specifieke afweer:
- B lymfocyten (humorale immuniteit)
- T lymfocyten (cellulaire immuniteit)
Huid:
De bovenste laag van de huid bestaat uit dode cellen dat dient als een soort van muur. Op
de huid bevinden zich ook bacteriën van je eigen lichaam, deze vechten tegen de bacteriën
van buitenaf.
Als de huid kapot gaat moet je lichaam eerst zorgen da het bloed stopt met stromen. Dit doet
het lichaam door middel van een stolsel van bloed. Dit proces heet hemostase. Fibrine zorgt
voor de korst die zich op het wondje vormt.
Er zijn twee manieren om het bloed te stollen (Coagulatiefase):
- Exentrieke fase, buiten de bloedvaten
- Intrinstieke fase, binnen de bloedvaten
Exentrieke fase:
- Snel
- Weefselfactoren uit kapotte cellen starten de stolling
- Wanneer er meer cellen kapot zijn is er een snellere stolling
- Weefselfactoren werken samen met calcium en ander factoren naar factor X
Kort: kapotte cellen laten eiwitten vrij die de bloedstolling in gang zetten.
Intrinstieke fase:
- Versterking van de extrinsieke keten
- Bloedplaatjes geven de stoffen af
- Binding aan collageenvezels buiten de bloedvaten
- Werkt samen met calcium en ander factoren naar factor X