BEGRIPPENLIJST ATW
Inhoudsopgave
Begrippenlijst ATW .......................................................................................................................................... 1
Hoofdstuk 1 – Van taal naar taalwetenschap .............................................................................................. 2
Hoofdstuk 3 – Taalverwerving ..................................................................................................................... 4
Hoofdstuk 6 – Zinsdelen en woordsoorten ................................................................................................. 6
Hoofdstuk 7 – enkelvoudige zinnen............................................................................................................. 8
Hoofdstuk 11 – Woordenschat .................................................................................................................. 10
Hoofdstuk 14 – spreken en verstaan- spraakklanken................................................................................ 13
Hoofdstuk 15 – Klanksystematiek en fonologische processen .................................................................. 16
1
, Hoofdstuk 1 – Van taal naar taalwetenschap
1. Universalia: eigenschappen die door alle talen worden gedeeld.
a. Alle talen bestaan uit kleine elementen (klanken, gebaren. Deze worden opgebouwd
in grotere eenheden: woorden of gebaren. Deze worden gecombineerd om zinnen te
vormen).
b. Alle gesproken talen hebben klinkers en medeklinkers.
c. Alle talen kunnen beweringen ontkennen, vragen stellen en bevelen geven.
d. Alle talen hebben woorden voor ‘zwart’, ‘wit’, ‘donker’ en ‘wit’.
2. Compositionaliteit: hieronder 3 definities om het begrip duidelijk te maken
a. Woorden hebben elk afzonderlijk een bepaalde betekenis en ieder woord is opgebouwd
uit klanken die maken dat het woord onderscheiden kan worden van andere woorden.
b. Taalelementen hebben een eigen betekenis, maar ze kunnen gecombineerd worden om
andere betekenissen uit te drukken.
c. het principe dat alle kleine deeltjes (zoals klanken) in een taal samen één betekenis
vormen. een voorbeeld wat hiervan wordt gegeven zijn de woorden 'kan' en 'pan', die
slechts één klank van elkaar verschillen maar toch een verschillende betekenis hebben.
ook het feit dat woorden samen een zin vormen valt hieronder
3. Recursie: Hieronder 2 definities om het begrip duidelijk te maken.
a. een zin in een zin in een zin (zinsdelen van dezelfde eenheid)
b. het principe waarbij een (overkoepelende) talige eenheid meer dan één van dezelfde
soort taaleenheden bevat. het voorbeeld wat hierbij wordt gegeven is de man met de
veer zonder hoed (twee keer een voorzetselconstituent die samen één zinsdeel maken)
4. Creativiteit: mensen kunnen met taal steeds unieke zinnen formuleren terwijl dieren slechts in
staat zijn om bepaalde boodschappen over te brengen.
a. Mensentalen hebben creativiteit, dierentalen niet.
5. Onomatopeeën: klanknabootsende woorden, ‘waarvan de vorm de betekenis in zeker mate
weerspiegelt.’
a. Kukeluku, niezen, tsjilpen.
6. Kunsttalen: talen die door mensen bewust ontworpen of geconstrueerd zijn.
a. Esperanto
7. Computertalen: de talen waarin computerprogramma’s zijn geschreven en waarin mensen
instructies aan de computer kunnen geven.
a. het unieke aspect van deze talen is dat er altijd een één op één relatie tussen vorm en
betekenis. voor een computer betekent 1-0-1 altijd 1-0-1, terwijl voor een mens het
woord ei meerdere betekenissen kan hebben, afhankelijk van de context
b. Prolog, Java. DOS, SQL.
8. Gesproken talen: wordt geuit door gebruik van tong, lippen en stembanden en wordt gehoord
door het oor.
9. Gebarentalen: wordt gezien en gebaarders gebruiken vooral hun handen.
10. Modaliteit: De manier hoe een spreker van een taal, de taal uit. Dus de houding van de spreker
ten opzichte van wat hij zegt.
a. Gesproken taal: tong lippen, stembanden en wordt gehoord door het oor.
b. Gebarentaal: handen ->visuele modaliteit
11. Descriptieve grammatica: beschrijft regels van alle varianten van de taal, dus van zowel de
standaardtaal als van de dialecten.
12. Prescriptieve grammatica: Voorschrijft welke vormen van taal goed zijn en welke niet.
a. ABN, elke verandering hierin wordt als bedreiging gezien van de pure vorm.
2
Inhoudsopgave
Begrippenlijst ATW .......................................................................................................................................... 1
Hoofdstuk 1 – Van taal naar taalwetenschap .............................................................................................. 2
Hoofdstuk 3 – Taalverwerving ..................................................................................................................... 4
Hoofdstuk 6 – Zinsdelen en woordsoorten ................................................................................................. 6
Hoofdstuk 7 – enkelvoudige zinnen............................................................................................................. 8
Hoofdstuk 11 – Woordenschat .................................................................................................................. 10
Hoofdstuk 14 – spreken en verstaan- spraakklanken................................................................................ 13
Hoofdstuk 15 – Klanksystematiek en fonologische processen .................................................................. 16
1
, Hoofdstuk 1 – Van taal naar taalwetenschap
1. Universalia: eigenschappen die door alle talen worden gedeeld.
a. Alle talen bestaan uit kleine elementen (klanken, gebaren. Deze worden opgebouwd
in grotere eenheden: woorden of gebaren. Deze worden gecombineerd om zinnen te
vormen).
b. Alle gesproken talen hebben klinkers en medeklinkers.
c. Alle talen kunnen beweringen ontkennen, vragen stellen en bevelen geven.
d. Alle talen hebben woorden voor ‘zwart’, ‘wit’, ‘donker’ en ‘wit’.
2. Compositionaliteit: hieronder 3 definities om het begrip duidelijk te maken
a. Woorden hebben elk afzonderlijk een bepaalde betekenis en ieder woord is opgebouwd
uit klanken die maken dat het woord onderscheiden kan worden van andere woorden.
b. Taalelementen hebben een eigen betekenis, maar ze kunnen gecombineerd worden om
andere betekenissen uit te drukken.
c. het principe dat alle kleine deeltjes (zoals klanken) in een taal samen één betekenis
vormen. een voorbeeld wat hiervan wordt gegeven zijn de woorden 'kan' en 'pan', die
slechts één klank van elkaar verschillen maar toch een verschillende betekenis hebben.
ook het feit dat woorden samen een zin vormen valt hieronder
3. Recursie: Hieronder 2 definities om het begrip duidelijk te maken.
a. een zin in een zin in een zin (zinsdelen van dezelfde eenheid)
b. het principe waarbij een (overkoepelende) talige eenheid meer dan één van dezelfde
soort taaleenheden bevat. het voorbeeld wat hierbij wordt gegeven is de man met de
veer zonder hoed (twee keer een voorzetselconstituent die samen één zinsdeel maken)
4. Creativiteit: mensen kunnen met taal steeds unieke zinnen formuleren terwijl dieren slechts in
staat zijn om bepaalde boodschappen over te brengen.
a. Mensentalen hebben creativiteit, dierentalen niet.
5. Onomatopeeën: klanknabootsende woorden, ‘waarvan de vorm de betekenis in zeker mate
weerspiegelt.’
a. Kukeluku, niezen, tsjilpen.
6. Kunsttalen: talen die door mensen bewust ontworpen of geconstrueerd zijn.
a. Esperanto
7. Computertalen: de talen waarin computerprogramma’s zijn geschreven en waarin mensen
instructies aan de computer kunnen geven.
a. het unieke aspect van deze talen is dat er altijd een één op één relatie tussen vorm en
betekenis. voor een computer betekent 1-0-1 altijd 1-0-1, terwijl voor een mens het
woord ei meerdere betekenissen kan hebben, afhankelijk van de context
b. Prolog, Java. DOS, SQL.
8. Gesproken talen: wordt geuit door gebruik van tong, lippen en stembanden en wordt gehoord
door het oor.
9. Gebarentalen: wordt gezien en gebaarders gebruiken vooral hun handen.
10. Modaliteit: De manier hoe een spreker van een taal, de taal uit. Dus de houding van de spreker
ten opzichte van wat hij zegt.
a. Gesproken taal: tong lippen, stembanden en wordt gehoord door het oor.
b. Gebarentaal: handen ->visuele modaliteit
11. Descriptieve grammatica: beschrijft regels van alle varianten van de taal, dus van zowel de
standaardtaal als van de dialecten.
12. Prescriptieve grammatica: Voorschrijft welke vormen van taal goed zijn en welke niet.
a. ABN, elke verandering hierin wordt als bedreiging gezien van de pure vorm.
2