Gemaakt door Padfoot & Prongs.
Pathologie HC1
1. Q: De prevalentie van diabetes neemt toe, door welke type diabetes wordt dit
veroorzaakt?
2. Q: Wat is de relatie tussen leeftijd en diabetes?
3. Q: Mevrouw Lupin is 65 jaar en heeft matig overgewicht, haar man (meneer Lupin)
is 76 jaar oud en heeft obesitas. Wie heeft een grotere kans op diabetes? Leg uit.
4. Q: In 2014 waren er 1.100.000 diabetespatiënten, terwijl er in 2014 maar 800.000
een diabetesmiddel kregen. Hoe kan dit verschil verklaard worden?
5. Q: De verwachting is, dat in de toekomst het percentage diabetespatiënten verder
zal toenemen. Hoe komt dit? Geef drie redenen.
6. Q: In welke leeftijdsgroep komt diabetes meer voor bij mannen? Hoe is dit voor
vrouwen?
7. Q: Wat zeggen IFG (impaired fasting glucose) en IGT (impaired glucose tolerance)
over de mate van diabetes mellitus, wanneer dit bij een patiënt is vastgesteld?
8. Q: Wanneer wordt de diagnose ‘gestoorde nuchtere glucose’ gesteld? En
‘verminderde glucosetolerantie’? En bij welke waardes worden beiden vastgesteld?
Vragen 9 t/m 11 horen bij onderstaande casus.
Meneer Lupin (76 jaar oud en obesitas) is bij zijn huisarts geweest met een aantal klachten
die wellicht gerelateerd zijn aan diabetes mellitus. De huisarts besloot daarom om de
bloedwaardes van meneer Lupin te laten onderzoeken van twee verschillende dagen. Uit de
resultaten bleek dat meneer Lupin een nuchtere glucosewaarde van 2x 8 en 9 mmol/l had
over twee verschillende dagen.
9. Q: Via welke test heeft de huisarts de bloedwaardes van meneer Lupin onderzocht?
Hoe werkt deze test en welke bloedwaarde worden gemeten?
10. Q: Bij welke waardes mag de diagnose diabetes mellitus worden gesteld? Noem
twee opties. Wat zal de diagnose bij meneer Lupin zijn?
11. Q: Wat zijn drie klachten waar meneer Lupin last van had kunnen hebben,
waardoor de huisarts tot het besluit kwam om de bloedwaardes op glucose te
meten?
12. Q: Bij welke combinatie van gewicht, insulineresistentie én kracht van de bètacel is
er geen sprake van diabetes mellitus type 2?